ECLI:NL:PHR:2010:BO3584
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake kredietovereenkomst en onrechtmatige oplichting
Eiser heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Hof 's-Gravenhage waarin een geschil over een kredietovereenkomst en de vraag of sprake was van onrechtmatige oplichting werd behandeld. ABN AMRO bestreed het beroep. De Hoge Raad constateert dat de klachten van eiser grotendeels gebaseerd zijn op een verkeerde interpretatie van het bestreden arrest en voorbijgaan aan de kern van de overwegingen van het hof.
Het hof had geoordeeld dat ABN AMRO handelde op basis van de stellingen van eiser dat aanzienlijke bedragen op de rekening zouden worden gestort, waarbij het niet beslissend was of ABN AMRO wist dat eiser failliet was verklaard. Eiser had deze stellingen zelf ingebracht tijdens de comparitie. Daarnaast voldoen de klachten niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv Pro omdat niet wordt aangegeven waar bepaalde feitelijke stellingen zijn gedaan.
De Hoge Raad wijst ook klachten af die zien op de vermeende vervanging van de ene verbintenis door een andere en het verlies van inkomsten door opzegging van de kredietrelatie, omdat eiser deze stellingen niet concreet heeft onderbouwd. Het hof had duidelijk geoordeeld dat de kredietrelatie was gebaseerd op ongefundeerde verwachtingen van inkomsten door eiser. De conclusie van de Advocaat-Generaal is dan ook dat het beroep moet worden verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO.