AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor feitelijke aanranding en mishandeling op metrostation Prinsenlaan
Op 10 februari 2007 vond op het metrostation Prinsenlaan te Rotterdam een incident plaats waarbij de verdachte meerdere personen benaderde en onder meer ontuchtige handelingen pleegde door onverhoeds de billen van een vrouw beet te pakken en erover te wrijven. Daarnaast mishandelde hij een andere betrokkene door hem in het gezicht te slaan, wat resulteerde in een bloedlip.
De verdachte werd door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens diefstal met geweld, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling, en kreeg een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de betrokkenen en getuigen, alsmede politieprocessen-verbaal.
De verdediging stelde in cassatie dat de ontuchtige handelingen niet bewezen konden worden en dat er geen sprake was van dwingen door feitelijkheden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het onverhoeds beetpakken en wrijven over de billen als ontuchtig kon worden aangemerkt en dat het dwingen door feitelijkheden, ook zonder expliciete bedreiging, voldoende was bewezen.
De Hoge Raad vond geen gronden voor vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor feitelijke aanranding en mishandeling met een gevangenisstraf van zes maanden.
Conclusie
Nr. 09/00098
Mr. Vegter
Zitting 9 november 2010
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 22 december 2008 wegens 1. 'Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken', 3. 'Feitelijke aanranding van de eerbaarheid' en 4. 'Mishandeling' veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
2. Mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en namens de verdachte bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 10 februari 2007 te Rotterdam, door feitelijkheden [betrokkene 1] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit beetpakken van en wrijven over de billen van die [betrokkene 1] en bestaande die feitelijkheden uit het onverhoedse beetpakken en wrijven over de billen van die [betrokkene 1]."
3.3. Het Hof heeft ten aanzien van het onder 3 en 4(1) bewezenverklaarde de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
"1. Het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007051514-10, d.d. 12 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 12 februari 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:
Op 10 februari 2007 bij station Prinsenlaan te Rotterdam zag ik drie jongens en een meisje staan. Ik heb de groep aangesproken met de woorden: "Ik ben van de politie ... ik ga jullie fouilleren.". Het kan zijn dat ik die jongen met mijn handen heb geraakt.
2. Het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007051514-1, d.d. 12 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 12 februari 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik doe aangifte van aanranding. Op 10 februari 2007 stonden [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en ik op het perron van het metrostation Prinsenlaan te Rotterdam. Ik zag opeens een man naar mij toe komen lopen. Hij zei dat hij van de politie was. De man stond pal voor me. De man bleef zeggen dat hij van de politie was. Ik zag dat de man opeens met zijn linkerhand langs mijn lichaam ging en ik voelde dat hij met zijn linkerhand over mijn billen wreef. Ik zag dat de man [betrokkene 2] wilde slaan. Ik zag namelijk dat de man met zijn linkerhand uithaalde in de richting van [betrokkene 2]'s gezicht. Ik heb gezien dat de man [betrokkene 2] had geraakt in zijn gezicht. [betrokkene 2] had mij verteld dat hij als gevolg van de klap van die man een bloedlip had.
Ik voelde me niet prettig toen die man mij bij mijn billen pakte.
3. Het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007051514-4, d.d. 13 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 12 februari 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik doe aangifte van mishandeling. Op 10 oktober 2007 stond ik samen met mijn vriendin [betrokkene 1] en twee andere vrienden op het metrostation Prinsenlaan te Rotterdam. Ik zag dat een man met zijn linkerhand om de rug van [betrokkene 1] ging en haar vervolgens met zijn hand bij haar billen pakte. Ik heb de man hierop met mijn hand op zijn schouder weggeduwd. Ik hoorde de man iets zeggen van: "Ik ben van de politie.". Ik zag dat de man mij hierop vervolgens een klap wilde geven. De man probeerde diverse malen met zijn vuist op mijn gezicht te slaan. Ik voelde dat de man mij in het gezicht raakte. Dit was op mijn mond en op mijn rechterwang en kin. Ik proefde bloed in mijn mond.
Naar aanleiding van de klappen die ik van de man in mijn gezicht had gekregen, had ik een bloedlip."
3.4. Het Hof heeft voorts overwogen:
"Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Ter adstructie van dat standpunt heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - betoogd dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet met de nodige overtuiging kan worden vastgesteld dat de handelingen van de verdachte een ontuchtig karakter hadden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van de op 12 februari 2007 tegenover de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1], in samenhang bezien met de eveneens op voornoemde datum afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 2], is naar 's hofs oordeel in voldoende overtuigende mate komen vast te staan dat de handelingen van de verdachte ontuchtig van karakter waren.
Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat het onverhoeds beetpakken en wrijven over billen naar de uiterlijke verschijningsvorm in de gegeven - uit het dossier blijkende - omstandigheden als ontuchtige handelingen kunnen worden aangemerkt.
Het hof gaat dan ook aan het verweer van de raadsman voorbij."
3.5. Volgens de steller van het middel kan uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet worden geconcludeerd dat de verdachte [betrokkene 1] heeft 'gedwongen' tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen. Volgens de raadsman blijkt niet van een dreiging waardoor [betrokkene 1] werd gedwongen.
3.6. Deze klacht gaat niet op. Het Hof heeft niet bewezenverklaard dat de verdachte [betrokkene 1] door bedreiging (met geweld of feitelijkheden) heeft gedwongen, maar dat de verdachte [betrokkene 1] door feitelijkheden, bestaande uit het onverhoeds beetpakken van en wrijven over haar billen, heeft gedwongen tot het dulden van zijn handelingen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Voorts kan van dwingen sprake zijn als, zoals in de onderhavige zaak, door onverhoeds handelen verzet wordt vóórkomen.(2)
3.7. Het middel klaagt voorts dat uit de genoemde verklaringen niet kan volgen dat sprake was van ontuchtige handelingen, omdat het enkele aanraken van de billen niet kan worden aangemerkt als een seksuele handeling.
3.8. Een ontuchtige handeling als bedoeld in art. 246 SrPro is een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm.(3) Of een handeling kan worden gekwalificeerd als seksueel en strijdig met de sociaal-ethische norm hangt ondermeer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context en de verhouding tussen betrokkenen.(4) Voorts beperkt het begrip ontucht zich niet tot buitengewone of afschuwwekkende daden.(5) Ook het door een man in de knie knijpen van een vrouwelijke fietser kan op zodanige wijze en met zodanige bedoeling geschieden dat dit als ontuchtig moet worden aangemerkt.(6)
Het Hof heeft geoordeeld dat het beetpakken van en wrijven over de billen van [betrokkene 1] onder de gegeven omstandigheden als ontuchtig moet worden aangemerkt. In aanmerking genomen dat de verdachte en [betrokkene 1] elkaar kennelijk niet kenden, de verdachte opeens met zijn hand langs haar lichaam ging, bij haar billen pakte en over haar billen wreef, hetgeen door [betrokkene 1] niet als prettig werd ervaren, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing leent dit oordeel zich niet, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.
3.9. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Ten laste van de verdachte is onder 4 de mishandeling van [betrokkene 2] bewezenverklaard.
2 Vgl. HR 16 november 2004, LJN AR3040; HR 15 januari 2008, LJN BB7114; NLR, aantekening 4 bij art. 246 SrPro.