ECLI:NL:PHR:2010:BO4915

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00625
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 426a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en bewijsvoering leningen in hoger beroep

De man stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch die de beschikking van de rechtbank Roermond inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en de vrouw bekrachtigde.

Het cassatieberoep berustte op vijf middelen die onder meer klaagden over de beoordeling van de aard en intentie van leningen, het inzicht in de financiële situatie van de man, en het niet horen van getuigen over het bezit van sieraden. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende feitelijke grondslag hadden of niet voldeden aan de procesrechtelijke eisen.

Met name werd geoordeeld dat het hof terecht had geoordeeld dat de man onvoldoende had gesteld over de leningen en dat het bewijsaanbod omtrent de sieraden niet relevant was voor de verdeling. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen en wees het beroep af met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hofbesluit wordt bekrachtigd.

Conclusie

10/00625
Mr L. Strikwerda
Parket, 19 nov. 2010
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: de man, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 november 2009. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van de man bekrachtigd de beschikking van de rechtbank Roermond van 19 november 2008, waarbij beslissingen zijn gegeven inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die heeft bestaan tussen de man en thans verweerster in cassatie, hierna: de vrouw.
2. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3. Het cassatieberoep berust op vijf middelen. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Middel I klaagt erover dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de aard en intentie van de aangegane leningen en voorts dat de rechtbank (bedoeld is kennelijk: het hof) ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen waarvoor geen afdoende verklaring is gegeven.
5. De eerstbedoelde klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag; het hof heeft niet de aard en intentie van de door de man gestelde leningen miskend, doch heeft geoordeeld dat de man terzake van het aangaan van de leningen onvoldoende heeft gesteld. De laatstbedoelde klacht kan geen doel treffen omdat zij zich richt tegen een aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel dat in r.o. 3.5.3.2 t/m 3.5.3.5 toereikend is gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk is. Voor verdere toetsing in cassatie is geen plaats.
6. Middel II klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat een lening zou wegvallen tegen verhuiskostenvergoeding.
7. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag; het hof heeft niet overwogen dat een lening zou wegvallen tegen verhuiskostenvergoeding, doch heeft overwogen dat de man de noodzaak van de kosten van herinrichting tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw niet voldoende gespecificeerd, nu partijen ook een verhuiskostenvergoeding van Euro 4.600,- hadden ontvangen.
8. Middel III klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie.
9. Het middel moet reeds falen omdat het niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu door het middel in het geheel niet wordt aangegeven waar in de processtukken stellingen van de man kunnen worden aangetroffen, waaruit zijn financiële situatie wèl kan blijken (vgl. HR 6 juni 2003, NJ 2003, 707 nt. DA).
10. Middel IV klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat aangaande de leningen sprake is van wisselende, niet met elkaar te rijmen, onvoldoende onderbouwde en onvoldoende verklaarde stellingen.
11. Het middel moet, evenals middel III, reeds falen omdat het niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Het middel geeft immers in het geheel niet aan waar in de processtukken stellingen van de man kunnen worden aangetroffen, waaruit kan blijken dat de man wèl naar behoren aan zijn stelplicht aangaande de leningen heeft voldaan.
12. Middel V is opgebouwd uit twee onderdelen.
13. De strekking van de klacht van onderdeel 1 van het middel is mij in het geheel niet duidelijk geworden.
14. Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte geen getuigen heeft gehoord omtrent de vraag of de vrouw al dan niet in het bezit was van de sieraden.
15. Het onderdeel faalt, omdat het uit het oog verliest dat het antwoord op de vraag of de vrouw al dan niet in het bezit was van de sieraden, niet van belang is voor het antwoord op de vraag aan wie van beide partijen de sieraden moeten worden toegedeeld. Het hof heeft het desbetreffende bewijsaanbod van de man derhalve kennelijk en terecht als niet ter zake dienend afgewezen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,