ECLI:NL:PHR:2010:BO4928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onafhankelijkheid psychiater bij voorlopige machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. De rechtbank had de machtiging verleend op basis van een geneeskundige verklaring van een psychiater die betrokkene kort tevoren had onderzocht.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de psychiater die de verklaring had afgegeven, wel als onafhankelijk kon worden aangemerkt, nu hij minder dan een jaar geleden betrokken zou zijn geweest bij de behandeling van betrokkene. De rechtbank stelde vast dat er geen behandelrelatie was geweest, ondanks dat de psychiater betrokkene tijdens een inbewaringstelling had gezien.
De Hoge Raad bevestigde dat volgens art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz de verklaring moet worden afgegeven door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken is en dat dit in het algemeen betekent dat er een periode van ten minste een jaar moet zijn verstreken sinds het laatste behandelcontact. Het oordeel van de rechtbank dat er geen behandelrelatie was en dat de psychiater derhalve onafhankelijk was, is bindend en niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat er wel sprake was van een behandelrelatie. Tevens werd verduidelijkt dat het enkele feit dat een psychiater een patiënt medisch onderzoekt in het kader van een inbewaringstelling niet automatisch betekent dat er sprake is van een behandelrelatie.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het beroep in cassatie wordt verworpen en de voorlopige machtiging blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf blijft gehandhaafd.