Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 96 SvArt. 552a SvArt. 33a lid 2 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt voortduren beslag op geldbedrag wegens witwasverdenking
Op 5 juni 2008 werd een geldbedrag van 60.000 euro in beslag genomen onder een reisgenote van de klager op Schiphol wegens verdenking van witwassen. Klager stelde eigenaar te zijn van het geld, dat hij van zijn neef had gekregen voor de aankoop van een auto, maar dat hij niet had kunnen besteden en daarom wilde teruggeven.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift tot teruggave van het geldbedrag ongegrond, omdat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette. Dit oordeel was gebaseerd op wisselende en tegenstrijdige verklaringen van klager en de beslagene over de herkomst en bestemming van het geld, en het niet hoogst onwaarschijnlijk achten dat de strafrechter het geld later zou verbeurd verklaren.
Klager stelde in cassatie dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank het juiste beslissingskader van artikel 94 SvPro had toegepast en dat de motivering toereikend was, mede gezien het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het beslag op het geldbedrag rechtmatig voortduurt, omdat het belang van strafvordering zwaarder weegt dan het belang van klager bij teruggave. De wisselende verklaringen en het lopende onderzoek naar witwasverdenking rechtvaardigen het voortduren van het beslag.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op het geldbedrag wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.
Conclusie
Nr. 09/00741
Mr. Aben
Zitting 31 augustus 2010
Conclusie inzake:
[Klager]
1. De rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 5 februari 2009 het beklag als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klager van een inbeslaggenomen geldbedrag van zestigduizend euro, ongegrond verklaard.
2. Namens de klager heeft mr. J.W. Vermeer, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelende, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurdverklaren. Dit oordeel zou onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn.
3.2. In de onderhavige zaak heeft de Belastingdienst/FIOD-ECD op 5 juni 2008 te Schiphol op de voet van art. 96 SvPro onder meer een (cash) geldbedrag van zestigduizend euro inbeslaggenomen onder een reisgenote van de klager, [betrokkene 1], wegens verdenking van witwassen. Bij brief van 17 juni 2008 heeft de Duitse advocaat van de klager, aan wie het geldbedrag zou toebehoren, een brief gericht aan de Belastingdienst/FIOD-ECD met het verzoek het beslag op te heffen en het betreffende geldbedrag op rekening van de klager te storten. Blijkens een brief van 2 december 2008 van de Nederlandse advocaat van de klager is op het betreffende verzoek van de Duitse advocaat geen reactie gekomen, maar is dit verzoek doorgestuurd naar de rechtbank Haarlem. Deze heeft de genoemde brief van de Nederlandse advocaat - welke aan haar was gericht - vervolgens aangemerkt als klaagschrift in de zin van art. 552a Sv. In de cassatieschriftuur wordt gesteld dat de brief met bijlagen van de Duitse advocaat integraal deel uitmaakt van het klaagschrift, zodat dit ertoe strekt de rechtbank te verzoeken het beslag op het geldbedrag van zestigduizend euro op te heffen en de teruggave daarvan te gelasten aan de klager. Hoewel dit noch uit de brief van 2 december 2008 noch uit de beschikking van de rechtbank met zoveel woorden blijkt, ligt het - gezien de door de rechtbank gevolgde handelwijze - inderdaad voor de hand het klaagschrift zo op te vatten.
3.3. Het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van 22 januari 2009 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"Klager, in raadkamer ondervraagd, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
[Betrokkene 1] is niet mijn partner. Zij weet wel dat ik hier vandaag ben. Daarover heeft zij een verklaring op papier gezet. Deze verklaring heeft mijn raadsman aan uw rechtbank overhandigd.
Het geld heb ik van mijn neef [betrokkene 2] gekregen. Ik zou voor dat geld een auto kopen, dit moest echter een speciale uitvoering zijn. Deze heb ik niet kunnen vinden. Mijn neef wilde vervolgens zijn huis verbouwen en vroeg mij toen het geld weer terug te geven. Ik heb navraag gedaan bij de bank en daar werd mij verteld dat het enkele dagen tot weken kon duren voordat het geld was overgemaakt. Omdat ik op 5 juni toch naar huis zou vliegen voor mijn verjaardag heb ik besloten om het geld mee te nemen.
[Betrokkene 3] is mijn vrouw en daar woon ik mee samen. Zij heeft een briefje opgesteld toen [betrokkene 1] werd aangehouden. Ik heb gezegd dat het geld bij [betrokkene 1] in de tas is aangetroffen en zij zou in een brief aan de rechtbank schrijven dat zij het geld aan [betrokkene 1] heeft gegeven. Wat daarin staat, klopt niet helemaal, omdat zij het geld, 49.000,- euro, niet aan [betrokkene 1] heeft gegeven, maar aan mij. Het geld stond namelijk op onze bankrekening en [betrokkene 3] heeft dat eraf gehaald. [Betrokkene 3] heeft eerst tweemaal 1000,- euro opgenomen voor de aanschaf van het ticket en vervolgens het geldbedrag voor de auto.
Van de 60.000,- euro die is aangetroffen zou ik 52.000,- euro aan mijn neef geven. Van de rest van het geld ging ik mijn vakantie betalen. Het geld dat zou overblijven, zou ik aan mijn zieke moeder geven.
Ik heb door deze zaak problemen gekregen met mijn neef.
De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord.
Gelet op de wisselende verklaringen van klager en [betrokkene 1] dient er nader onderzoek plaats te vinden naar het aangetroffen geldbedrag en de herkomst daarvan. Er is op 23 juli 200 een rechtshulpverzoek gedaan aan de Duitse autoriteiten, waarop echter nog geen antwoord is ontvangen. Ik concludeer tot ongegrondverklaring van het klaagschrift, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen teruggave van het geld aan klager.
De raadsman voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord ter verdediging.
Klager is als zelfstandige werkzaam in Duitsland. Klager is 13 jaar geleden naar Duitsland verhuisd en is inmiddels in het bezit van een Duits paspoort. Hij is nog nooit eerder met justitie in aanraking geweest. Hij heeft het geld gekregen van een neef om een auto te kopen. Autohandelaren hebben vaker grote contante bedragen bij zich. Uit de stukken kan ik voorts geen aanknopingspunten vinden voor een verdenking van witwassen. De vraag is of het ooit tot een veroordeling zal komen. Klager heeft een groot belang bij teruggave van het geldbedrag."
3.5. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank met betrekking tot het beklag - voor zover hier relevant - als volgt overwogen (blz. 2):
2. Beoordeling
Vast is komen te staan, dat bedoeld geldbedrag op 5 juni 2008 op rechtmatige wijze onder [betrokkene 1] in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.
Namens klager is er, zakelijk weergegeven, onder meer op gewezen, dat klager de eigenaar van het geldbedrag is en dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Hiertoe is aangevoerd dat klager in januari 2007 €52.000,00 van zijn neef [betrokkene 2] heeft gekregen om een Mercedes E-200 aan te schaffen. Klager heeft ter terechtzitting verklaard dat dit niet gelukt is en dat hij het geldbedrag weer mee terug naar Jordanië wilde nemen om het aan zijn neef terug te geven. Hij heeft dit geldbedrag niet per bank overgemaakt, omdat dit een aantal dagen tot weken kon duren en hij toch naar Jordanië zou afreizen voor een verjaardag.
Zijn vrouw, [betrokkene 3], heeft voor klager en niet voor [betrokkene 1], op 27 mei 2008 een geldbedrag van € 49.000,- opgenomen van de bankrekening om terug te geven aan zijn neef. Van het overige gedeelte van de € 60.000,00 zou hij zijn vakantie betalen en zijn zieke moeder helpen. Klager heeft verklaard dat het geldbedrag van € 60.000,00 niet in zijn jas paste en dat hij het geld daarom in de tas van [betrokkene 1], met wie hij samen naar Jordanië reisde, heeft gestopt. Het geldbedrag van € 60.000,00 is onder [betrokkene 1] in beslag genomen, maar dient te worden teruggegeven aan klager.
De officier van justitie heeft in raadkamer opgemerkt dat er gelet op de wisselende verklaringen van klager en [betrokkene 1] nader onderzoek plaatsvindt naar het aangetroffen geldbedrag en de herkomst daarvan. Er is op 23 juli 2008 een rechtshulpverzoek gedaan aan de Duitse autoriteiten, waarop echter nog geen antwoord is ontvangen. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen teruggave van het geld aan klager.
Uit het dossier blijkt de rechtbank dat [betrokkene 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd omtrent de herkomst en bestemming van het geld. Eerst verklaart zij dat het geldbedrag afkomstig is van haar zwager [betrokkene 4] en dat het geld bestemd was voor het kopen van auto's. Ze reisde samen met een vriend van haar ex-man en ze zou € 1500,00 krijgen voor het vervoeren van het geld. Later verklaart ze dat een bekende man, [klager], aan haar op Schiphol had gevraagd het geld mee te nemen naar Amman, omdat hij er bij de douane problemen mee zou krijgen en zij niet. € 60.000,00 was van [klager], de rest van het geld was van haar. Ze zou de € 60.000,00 na de start direct aan [klager] teruggeven. Klager heeft aangegeven dat € 51.000,00 van zijn neef is, aanvankelijk bestemd om een auto te kopen, en het overige bedrag van hem is, bestemd voor zijn moeder. Hij heeft het geldbedrag in de tas van [betrokkene 1] gestopt, omdat het niet in zijn jas paste.
De rechtbank is, op grond van de hierboven weergegeven wisselende en niet met elkaar overeenkomende verklaringen van [betrokkene 1] en klager omtrent de herkomst en de bestemming van het geldbedrag, van oordeel dat het belang van strafvordering zich tegen de gevraagde teruggave verzet, nu zich te dezen niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren.
Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift ongegrond."
3.3. Zoals blijkt uit het voorgaande, houdt de bestreden beschikking allereerst als oordeel van de rechtbank in dat de inbeslagneming van het geldbedrag op 5 juni 2008 op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het middel is tegen dit oordeel niet gericht, maar betreft enkel de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan de klager. Ten aanzien van gevallen als het onderhavige, waarin een ander dan de beslagene, stellende dat hem een inbeslaggenomen voorwerp in eigendom toebehoort, zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, geldt als vooropstelling dat de rechtbank dient te beoordelen of a) het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo neen, of b) het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te doen teruggeven.(1)
3.4. Hoewel uit de stukken van het geding niet expliciet blijkt of de inbeslagneming in casu haar rechtsgrond vindt in art. 94 SvPro dan wel art. 94a Sv - het bewijs van de inbeslagneming vermeldt enkel de bevoegdheidsregeling van art. 96 SvPro(2) -, is de rechtbank uitgegaan van een inbeslagneming die heeft plaatsgevonden op grond van art. 94 SvPro.(3) Geoordeeld is immers door de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is te achten dat de later oordelende strafrechter het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurdverklaren, zodat het belang van strafvordering zich tegen teruggave aan de klager verzet. De hieruit sprekende beoordelingsmaatstaf van de rechtbank is - gezien de kennelijke toepasselijkheid van art. 94 SvPro - de juiste.(4)
3.5. De vraag die het middel aan de orde stelt is vervolgens of de door de rechtbank aan de hand van de juiste maatstaf uitgevoerde beoordeling ook begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Alvorens die vraag te beantwoorden, haal ik nogmaals de overweging aan waartegen het middel zich in de kern teweer stelt (blz. 2 van de bestreden beschikking):
"De rechtbank is, op grond van de hierboven weergegeven wisselende en niet met elkaar overeenkomende verklaringen van [betrokkene 1] en klager omtrent de herkomst en de bestemming van het geldbedrag, van oordeel dat het belang van strafvordering zich tegen de gevraagde teruggave verzet, nu zich te dezen niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren."
Volgens de steller van het middel is de betreffende overweging op een tweetal gronden onbegrijpelijk, althans als motivering van het oordeel van de rechtbank ontoereikend. In de eerste plaats is onjuist, aldus de steller, dat de verklaringen van de klager en [betrokkene 1] over de herkomst en bestemming van het inbeslaggenomen geldbedrag onderlinge strijd vertonen. Wat kan worden vastgesteld is alleen dat de verschillende door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen niet met elkaar overeenstemmen. In de tweede plaats zou de enkele verwijzing van de rechtbank naar het feit dat zich in het dossier tegenstrijdige verklaringen bevinden niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter het genoemde geldbedrag zal verbeurdverklaren.
3.6. De door de steller van het middel geformuleerde bezwaren tegen de aangehaalde overweging van de rechtbank treffen m.i. geen doel. Reeds uit het gegeven dat de verklaringen van [betrokkene 1] onderling tegenstrijdig zijn, volgt dat ten minste één van die verklaringen tevens niet in overeenstemming is met de verklaring van de klager. In zoverre is de overweging van de rechtbank in ieder geval niet onbegrijpelijk. Voorts lees ik de door de rechtbank gebezigde zinsnede "op grond van de hierboven weergegeven wisselende en niet met elkaar overeenkomende verklaringen" zo, dat daarmee niet alleen wordt verwezen naar de onderlinge tegenstrijdigheid van die verklaringen, maar ook naar hun inhoud en strekking. Als aanwijzingen voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] en/of de klager bij witwashandelingen liggen in die verklaringen onder meer besloten dat (i) [betrokkene 1] voor het vervoeren van het inbeslaggenomen geldbedrag vijftienhonderd euro zou ontvangen, en (ii) dat de klager aan [betrokkene 1] heeft gevraagd het geld te vervoeren omdat hij verwachtte er zelf bij de douane problemen mee te krijgen. Aangezien het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift over inbeslagneming noodzakelijkerwijs summier en voorlopig van aard is, acht ik de overweging van de rechtbank daarom zonder meer begrijpelijk.
De rechtbank was evenmin gehouden haar oordeel dat het belang van strafvordering zich tegen gegrondverklaring van het klaagschrift verzet nader te motiveren. Opmerking verdient in dit verband nog wel het volgende. Voorwerpen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. In het klaagschrift wordt gesteld dat het betreffende geldbedrag niet toebehoort aan degene onder wie het in beslag is genomen. Een dergelijke omstandigheid laat de mogelijkheid van verbeurdverklaring echter onverlet in de gevallen genoemd in artikel 33a, lid 2 Sr. Nu de rechtbank kennelijk niet onaannemelijk heeft geacht dat de strafrechter (later) oordeelt dat aan één van deze gevallen is voldaan, getuigt het oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel een ander standpunt propageert faalt het dus ook.
4. Het middel faalt derhalve en kan met de aan art. 81 ROPro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 28 januari 1997, LJN ZD0628, NJ 1997, 389 en de conclusie van AG Machielse vóór HR 11 november 2003, LJN AL6825.
2 Zie bijlage AH/002 bij het proces-verbaal verloop onderzoek van de Belastingdienst/FIOD-ECD.
3 Vgl. de conclusie van AG Knigge vóór HR 17 januari 2006, LJN AU8076 (onder 6.) en de conclusie van AG Vellinga vóór HR 23 januari 2007, LJN AZ3565 (onder 9.).
4 Bijv. HR 8 november 1988, NJ 1989, 633 en HR 26 april 1994, NJ 1994, 579. Zie tevens Tekst & Commentaar Strafvordering (8e druk), aant. 3c bij art. 552a Sv.