ECLI:NL:PHR:2010:BO7233
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voortduren beslag op geldbedrag wegens witwasverdenking
Op 5 juni 2008 werd een geldbedrag van 60.000 euro in beslag genomen onder een reisgenote van de klager op Schiphol wegens verdenking van witwassen. Klager stelde eigenaar te zijn van het geld, dat hij van zijn neef had gekregen voor de aankoop van een auto, maar dat hij niet had kunnen besteden en daarom wilde teruggeven.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift tot teruggave van het geldbedrag ongegrond, omdat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette. Dit oordeel was gebaseerd op wisselende en tegenstrijdige verklaringen van klager en de beslagene over de herkomst en bestemming van het geld, en het niet hoogst onwaarschijnlijk achten dat de strafrechter het geld later zou verbeurd verklaren.
Klager stelde in cassatie dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank het juiste beslissingskader van artikel 94 Sv Pro had toegepast en dat de motivering toereikend was, mede gezien het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het beslag op het geldbedrag rechtmatig voortduurt, omdat het belang van strafvordering zwaarder weegt dan het belang van klager bij teruggave. De wisselende verklaringen en het lopende onderzoek naar witwasverdenking rechtvaardigen het voortduren van het beslag.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op het geldbedrag wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.