1 Rechtbank Arnhem 8 december 2008, nrs. AWB 07/1678 en 07/1679, LJN BL0954.
2 Gerechtshof Arnhem 1 december 2009, nrs. 08/00618 en 08/00619, LJN BK6131, V-N 2010/6.26, NTFR 2010/1104, met noot van Dam.
3 PJW: het Hof is er kennelijk per abuis van uitgegaan dat ook voor 2002 een navorderingsaanslag zou zijn opgelegd, maar voor dat jaar ging het om een definitieve aanslag. Het Hof oordeelde: "4.4. Bovenstaande brengt mee dat het gelijk aan belanghebbende is; het hoger beroep is gegrond." Hieruit blijkt dat het Hof van oordeel is dat de renteaftrek moet worden toegestaan. Het Hof had dus, in plaats van de (niet-bestaande) navorderingsaanslag 2002 te vernietigen, de definitieve aanslag 2002 moeten verminderen. Strikt formeel bezien, is er dus iets vernietigd dat er niet was (navordering 2002) en iets in stand gelaten dat verminderd had moeten worden (definitieve aanslag 2002). Het gaat om een ook voor de partijen kennelijk duidelijk abuis. De Staatssecretaris wijst ook op het misverstand. Tussen de partijen is duidelijk om welke vermindering van heffingsgrondslag het gaat: een geïmputeerde rente ad 4, 5488% (zie de uitspraak op bezwaar) over een 'besmette' hoofdsom ad € 9.203.254 = € 418.636 (zie ook bijlage 10 bij het beroepschrift). De aanslag vennootschapsbelasting 2002 is gebaseerd op een belastbaar bedrag ad € 4.931.408. Een vermindering met € 418.636 leidt tot een belastbaar bedrag ad € 4.512.772. De belanghebbende verzoekt in haar hoger beroepschrift de aanslag 2002 te verminderen op basis van een belastbaar bedrag ad € 4.512.772. Mijns inziens kan er dus geen misverstand bestaan. Ik meen daarom dat u de evidente misslag in het dictum van het Hof verbeterd kunt lezen als: "vernietigt de navorderingsaanslag 2001 en vermindert de definitieve aanslag 2002 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 4.512.772.".
4 Uit bijlage 27 bij het beroepschrift van de belanghebbende voor de Rechtbank volgt dat de aandelen C Ltd op 31 december 1998 door B Ltd zijn overgedragen aan de belanghebbende. Het verweerschrift in hoger beroep vermeldt op p. 2:
"Transacties per 31 december 1998
- Belanghebbende wordt door middel van een aandelenruil (door middel van uitgifte van één aandeel in belanghebbende) aandeelhouder van C Ltd;"
5 De belanghebbende heeft in haar beroepschrift opgenomen:
"Op dezelfde dag wordt dit bedrag door X Holdings Plc doorgeleend aan B Ltd., de moedermaatschappij van X B.V. B Ltd stort dit bedrag als kapitaal in C Ltd.
Op 31 december 1998 wordt X B.V. aandeelhouder van C Ltd. tegen uitgifte van 1 aandeel X B.V. Op dezelfde dag wordt de GBP 105.000.000 (€ 149.079.051) van C Ltd aan X B.V. uitgeleend. Deze schuld is renteloos."
De bijbehorende overeenkomst is als bijlage 27 opgenomen bij het beroepschrift van de belanghebbende.
6 Het verweerschrift in hoger beroep vermeldt: "Deze kapitaalstorting wordt door eiseres gefinancierd door middel van een lening bij een Nederlandse bank (verhoging van de rekening-courant schuld)."
7 De tekst tussen aanhalingstekens staat in onderdeel 2.7 van de feiten voor het Hof.
In de "Notary Roll of Deeds" van 8 januari 1999 (bijlage 25 bij het beroepschrift) is de verkoop neergelegd van Acquisitie GmbH door A International, Inc. aan D GmbH voor 72.260.000 Canadese Dollars (ofwel € 41.286.710).
8 Het Hof heeft dit niet zo expliciet vastgesteld. De Rechtbank heeft onder de feiten opgenomen:
"Het restant van deze vordering bedraagt alsdan € 32.083.456."
9 Het Hof heeft alleen "24 maart" vastgesteld. Het rapport van het boekenonderzoek vermeldt als eerste onderzoeksdag 24 maart 2005 (bijlage 13 bij het beroepschrift voor de Rechtbank).
10 De overwegingen over compenserende heffing, EU-recht en het vertrouwensbeginsel heb ik niet opgenomen, omdat het cassatieberoep daarop geen betrekking heeft, dan wel ik aan de behandeling ervan niet toekom.
11 PJW: bedoeld zal zijn: "de navorderingsaanslag 2001 en de definitieve aanslag 2002".
12 HR 17 december 2004, nr. 39 080, na conclusie Overgaauw, LJN AP6652, BNB 2005/169, met noot Van der Geld, NTFR 2004/1863, met noot Hemels, V-N 2005/2.16.
13 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 19.
14 Staatsblad 1996, 651.
15 Zie voor het voorgaande: Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 3-4.
16 Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 4 en 9.
17 HR 8 februari 2002, nr. 36 358, na conclusie Wattel, LJN AB2856, BNB 2002/118, met noot Meussen, V-N 2002/9.23.
18 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 11 en 14.
19 Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 15. De in de memorie van toelichting genoemde arresten zijn:
HR 23 augustus 1995, nr. 29 521, LJN AA1681, BNB 1996/3, met noot Hoogendoorn, Fed 1995/767, met aantekening Auerbach, V-N 1995/3149; HR 6 september 1995, nr. 27 927, na conclusie Verburg, LJN AA1683,
BNB 1996/4, V-N 1995/3297; HR 20 september 1995, nr. 29 737, na conclusie Van Soest, LJN AA1682,
BNB 1996/5, Fed 1996/216, met aantekening Van Weeghel, V-N 1995/3573; HR 27 september 1995, nr. 30 400, LJN AA1668, BNB 1996/6, Fed 1996/217, met aantekening Van Weeghel, V-N 1995/3569, en HR 10 maart 1993, nr. 28 139, LJN ZC5286, BNB 1993/196, met noot Den Boer, V-N 1993/1167.
20 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, B, p. 4.
21 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 17.
22 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 18-19.
23 Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, p. 19.
24 S.A.W.J. Strik, J. Doornebal, Q.W.J.C.H. Kok, H. Koster, F.P.G. Pötjens, J.L. van de Streek, K. Vleggeert en N.H. de Vries: Cursus Belastingrecht, Vennootschapsbelasting, Kluwer, electronisch versie, onderdeel 2.2.3.C.(oud).a3.
25 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 295-296.
26 P.H.J. Essers en S.A. Stevens (red.), Fiscaal commentaar Vennootschapsbelasting, Deventer: Kluwer 2005
(1e druk), p. 264-265.
27 Ik gebruik de eerste druk van zijn proefschrift en niet de 2008-tweede druk omdat belanghebbendes geval zich afspeelt vóór de wijzigingen van art. 10a Wet Vpb per 2007. Die wijzigingen noopten tot de tweede druk.
28 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005 (1e druk), p. 184.
29 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005 (1e druk), p. 81. In de 2008-tweede druk is deze passage te vinden op p. 89-90. Zie ook O.C.R. Marres, 'Een banvloek, maar geen brandmerk. Over verhanging van dochters, art. 10a Wet VPB 1969 en ontsmetting.', WFR 2003/225.
30 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005 (1e druk), p. 129-130.
31 Voetnoot in origineel: "Vgl. J.N. Bouwman en M.G. de Jong, Wegwijs in de Vennootschapsbelasting, Vermande 2003, blz. 235; J. van Strien, Aspecten van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Kluwer 2002,
blz. 210-211.
32 O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting na 'Werken aan winst', (FM 113), Deventer: Kluwer 2008 (2e druk), p. 290.
33 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 285, respectievelijk p. 282-283.
34 Voetnoot in origineel: "Zie in dit kader Nota navv, TK, 1995-1996, 24 696, blz. 43. Bouwman en De Jong leiden uit de in de Nota navv beschreven situatie het volgende af. De tegenbewijsregeling is van toepassing indien een vennootschap geld inleent van een in een tax haven gevestigde gelieerde partij en die gelden doorstort in een met de geldlener in de fiscale eenheid gevoegde dochter die deze gelden vervolgens aanwendt in haar onderneming, vergelijk Bouwman, J.N. & De Jong, M.G.; Wegwijs in de vennootschapsbelasting, SDU Uitgevers BV, Den Haag, 2003, blz. 236. Hoewel ik de verklaring van Bouwman en De Jong plausibel acht, is het voorts mogelijk dat de kapitaalstorting vanwege de fiscale eenheid non-existent was, zodat om die reden art, 10a buiten toepassing blijft, vergelijk Meijer D.G.A.; Winstdrainage, Fiscale Brochures, FED, Deventer, 2001, blz. 34 en Kok, Q.W.J.C.H.; De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, proefschrifteditie, blz. 200. (...)"
35 Voetnoot in origineel: "(...) MvT, TK, 1995-1996, 24 696, blz.19." [Zie het citaat in onderdeel 7.6 van deze conclusie vanaf "Een ander voorbeeld (...)"; PJW].
36 HR 11 juli 2008, nr. 43 376, na conclusie Wattel, LJN BB5195, BNB 2008/266, met noot Marres, NTFR 2008/1385, met noot Kroon, V-N 2008/34.15.
37 Noot in origineel: "Zie bijvoorbeeld HR 10 maart 1993, nr. 28 139, BNB 1993/196."
38 V-N 2010/6.26.
39 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 22.
40 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 16.
41 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 19.
42 Handelingen I 1996/97, 24 696, 11 december 1996, p. 11-453.
43 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3 (MvT), p. 20-21.
44 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (NnavV), p. 33
45 Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52a (VV EK), p. 3.
46 Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b (MvA EK), p. 4.
47 Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota 'Werken aan winst' (Wet werken aan winst); Staatsblad 2006, 631.
48 Kamerstukken I 2006/07, 30 572 (Wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota Werken aan winst (Wet werken aan winst), nr. C, p. 23.
49 Kamerstukken I 2006/07, 30 572 (Wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota Werken aan winst (Wet werken aan winst), nr. F (Brief van de Minister van Financiën aan de voorzitter van de Eerste Kamer met schriftelijk commentaar op publicatie van mr. drs. S.A.W.J. Strik in het Weekblad Fiscaal Recht inzake wetsvoorstel 30 572), p. 4.
50 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005 (1e druk), p. 184.
51 HR 8 februari 2002, nr. 36 358, na conclusie Wattel, LJN AB2856, BNB 2002/118, met noot Meussen, V-N 2002/9.23.
52 HR 6 september 1995, nr. 27 927, na conclusie AG Verburg, LJN AA1683, BNB 1996/4, met noot Hoogendoorn,
V-N 1995/3297.
53 HR 14 november 2003, nr. 37 503, na conclusie Groeneveld, LJN AE7326, BNB 2004/161, met noot Meussen, NTFR 2003/2024, met noot Van Beelen, V-N 2003/59.24.
54 HR 17 december 2004, nr. 39 080, na conclusie Overgaauw, LJN AP6652, BNB 2005/169, met noot Van der Geld, NTFR 2004/1863, met noot Hemels, V-N 2005/2.16.
55 HR 2 juni 2006, nr. 41 942, na conclusie Wattel, LJN AU8201, BNB 2006/282, met noot Van der Geld, Fed 2006/123, met aantekening Brandsma, NTFR 2006/790, met noot Albert, V-N 2006/31.13.
56 O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting na 'Werken aan winst', (FM 113), Deventer: Kluwer 2008 (2e druk), p. 161.
57 Idem, p. 163 en 164.
58 HR 21 september 1983, nr. 22 060, LJN AW8795, BNB 1983/316, met aantekening Hofstra, V-N 1983/1974.
59 O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na 'Werken aan winst', Deventer: Kluwer 2008, p. 147-148.
60 Voetnoot in origineel: "Vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3 p. 16."
61 HR 27 september 1995, nr. 30 400, LJN AA1668, BNB 1996/6, met noot Hoogendoorn onder BNB 1996/3,
Fed 1996/217, met aantekening Van Weeghel, V-N 1995/3569.
62 Volgens de memorie van toelichting (zie onderdeel 7.6 hierboven) valt deze casus onder art. 10a(2) Wet Vpb, maar kan de tegenbewijsmogelijkheid van art. 10a(3) Wet Vpb uitkomst bieden.
63 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 199), Deventer: Kluwer 2007, p. 293.
64 Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b (MvA EK), p. 4 (geciteerd in onderdeel 9.4 hierboven).
65 V-N 2010/6.26.
66 Commentaar op de Hofuitspraak in NTFR 2010/1104.
67 De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbendes stelling - dat de kapitaalstorting in D GmbH werd gedaan om te voldoen aan de Duitse kapitalisatieregels - hem in tegenspraak lijkt met belanghebbendes "stelling dat sprake is van zakelijke overwegingen nu de kapitaalstorting (...) werd aangewend voor een externe overname". De Inspecteur heeft voorts betoogd dat de stelling "dat de kapitaalstorting nodig was om te voldoen aan de Duitse thin-cap-regels, (...) op zichzelf ook nog steeds onduidelijkheid [laat] bestaan over de aard van de Duitse kapitalisatieregels die tot de kapitaalstorting aanleiding gaven. Eerst uit de nu pas meegestuurde bijlagen van het beroepschrift lijkt te volgen dat het inderdaad om Duitse thin capitalisation regelgeving moet gaan. (...) Het voldoen aan deze fiscale bepalingen kan niet worden aangemerkt als een zakelijke overweging in het kader van art. 10a, wet Vpb '69. Dit is immers een fiscale overweging (...)".
68 Zie ook O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na 'Werken aan winst', Deventer: Kluwer 2008, paragraaf 8.5.
69 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 18.
70 Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5, p. 43-44.
71 Het gaat om Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 27-28, waar staat:
"Of de geldlening verband houdt met de verwerving van de aandelen in de dochtermaatschappij dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden. Hierbij dient te worden gekeken naar de materiële werkelijkheid. Voor hetgeen wordt bedoeld met de "materiële werkelijkheid" wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt bij toelichting op artikel 10a eerste en tweede lid. Voor de onderhavige bepaling is het niet noodzakelijk dat de lening gelijktijdig met, of vóór de verwerving van de aandelen is opgenomen. Ook wanneer de verwerving van de aandelen aanvankelijk met eigen vermogen heeft plaatsgevonden en enige tijd na de verwerving een lening bij een verbonden lichaam wordt opgenomen om winstreserves uit te keren dan wel kapitaal terug te betalen aan de overnemer, kan gezegd worden dat de geldlening verband houdt met de verwerving van de aandelen. Naarmate het tijdsverloop tussen de verwerving van de aandelen en het opnemen van de geldlening groter is, zal dit verband minder snel worden aangenomen."
Bij toelichting op artikel 10a(2) is opgemerkt (Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 17-18):
"Evenals bij het eerste lid wordt bij de beoordeling of leningen afkomstig zijn van een verbonden lichaam (...) gekeken naar de materiële werkelijkheid, (...). Dit brengt met zich dat de rente van een lening die formeel afkomstig is van een derde (...) terwijl er in feite sprake is van een lening van een verbonden lichaam (...), niet in aftrek kan worden gebracht. Of de lening in feite verstrekt is door een verbonden lichaam (...), dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden."
72 E.J.W. Heithuis en R.P. van den Dool, Compendium Vennootschapsbelasting, Deventer: Kluwer 2004 (5e druk: de laatste versie vóór wijziging van art. 10a per 1 januari 2007), p. 119.
73 O.C.R. Marres, 'Een banvloek, maar geen brandmerk. Over verhanging van dochters, art. 10a Wet VPB 1969 en ontsmetting', WFR 2003/225, onderdeel 2.4.1.
74 Idem, onderdeel 3.3.
75 Idem, onderdeel 2.4.1.
76 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005, p.126.
77 HR 13 juli 2001, nr. 35 595, na conclusie Van Kalmthout, LJN AB2642, BNB 2001/398, met noot Aardema,
NTFR 2001/1043, met aantekening Opheikens, TvO 2001/54, met noot Van den Berg, V-N 2001/40.9.
78 HR 8 oktober 2004, nr. 39 435, LJN AR3513, BNB 2005/51, met noot Meussen, NTFR 2004/1508, met annotatie De Vries, V-N 2004/53.20.
79 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 319-320.
80 HR 13 juli 2001, nr. 35 595, LJN AB2642, BNB 2001/398, met noot Aardema, NTFR 2001/1043, met noot Opheikens, TvO 2001/54, met noot Van den Berg, V-N 2001/40.9.
81 HR 8 oktober 2004, nr. 39 435, LJN AR3513, BNB 2005/51, met noot Meussen, NTFR 2004/1508, met noot De Vries, V-N 2004/53.20.
82 Het besluit tot uitkering van dit interim dividend werd genomen op 21-10-1997; betaalbaarstelling op 17-12-1997, op welke datum de uitkering ook plaatsvond. Op 22-06-1998 is een slotdividend 1997 uitgekeerd ad f 661.551. Dividenden over latere jaren: 1998: f 2.270.960, 1999: f 2.425.002, 2000: f 1.000.000.
83 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 319-320.
84 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 321.
85 HR 17 juni 2005, nr. 40 819, LJN AT7653, BNB 2005/304 met noot Daniels, Fed 2005/113, met aantekening Marres,
NTFR 2005/815, met noot De Jonge, V-N 2005/31.15.
86 V-N 2005/59.16.
87 J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 327.
88 O.C.W. Marres, Winstdrainage door renteaftrek. Beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM 113), Deventer: Kluwer 2005, p. 126.
89 D.G.A. Meijer, Winstdrainage, Deventer: Kluwer 2001, p. 74.
90 Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 49. Een soortgelijke tekst staat ook op p. 20-21. Over BNB 2005/304 staat daar: "situaties waarin het voornemen daartoe reeds ten tijde van de kapitaalstorting in concrete vorm bestond."
91 Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 80-81.
92 Kamerstukken I 2006/07, 30 572, F, p. 3-4
93 Zie WFR 2006/1311.
94 V-N 2010/6.26.
95 NTFR 2010/1104.
96 Onderdeel 2.4 van het hoger beroepschrift.
97 Verweerschrift in hoger beroep, p. 5, alinea 4.
98 Onderdeel 4, I-a van het hoger beroepschrift.
99 Verweerschrift in hoger beroep, p. 4, direct onder "Ad I-a".