ECLI:NL:PHR:2010:BO8466
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid en vernietiging rechtshandelingen in invorderingszaak
In deze zaak stond centraal de vraag of rechtshandelingen van een bestuurder in privé, gericht op het verminderen van verhaalsmogelijkheden van de fiscus, vernietigd kunnen worden op grond van art. 36 lid 8 Invorderingswet Pro 1990. De bestuurder had een woonboerderij gekocht en deze binnen korte tijd doorverkocht aan een derde en vervolgens aan een vennootschap, met het oogmerk de boerderij onttrokken te houden aan verhaal.
De rechtbank had de vorderingen van de fiscus toegewezen en het hof had dit oordeel bekrachtigd, waarbij het hof oordeelde dat de bestuurder als feitelijk eigenaar en bestuurder van de vennootschap geldt en dat de vennootschap niet als derde te goeder trouw kan worden aangemerkt. De bestuurder stelde in cassatie onder meer dat onvoldoende was aangetoond dat de koopsom afkomstig was van hem en dat hij niet gehouden was tot tegenbewijs.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 onder Pro c BW pas begint te lopen bij daadwerkelijke ontdekking van benadeling. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat de bestuurder niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was. Er werd geen aanleiding gezien om rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid te beantwoorden, zodat het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de bestuurder wordt verworpen en de vernietiging van de rechtshandelingen wordt bevestigd.