ECLI:NL:PHR:2010:BO8542
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechterlijk vermoeden bij bestuurdersaansprakelijkheid en goede trouw derde
In deze invorderingszaak stond centraal of Malt-in-Trade Ltd., als derde te goeder trouw, aanspraak kon maken op bescherming tegen vernietiging van rechtshandelingen verricht door een bestuurder van een rechtspersoon die belastingaanslagen niet kon voldoen.
De Hoge Raad bevestigde dat de ontvanger op grond van art. 36 lid 8 Invorderingswet Pro 1990 niet hoeft te bewijzen dat de bestuurder of diens handelingspartner wetenschap had van benadeling, maar volstaat met het aannemelijk maken dat de bestuurder de mogelijkheid tot verhaal op zijn vermogen wilde verminderen. Dit leidt tot een rechterlijk vermoeden omtrent de afwezigheid van goede trouw van de derde die het goed verkreeg.
Tegen dit vermoeden kan de derde tegenbewijs leveren door het aannemelijk maken dat zij wel te goeder trouw was. Dit tegenbewijs hoeft niet te bestaan uit het leveren van eigen bewijsstukken, maar volstaat als het bewijs van de ontvanger wordt ontzenuwd.
In deze zaak faalde Malt-in-Trade in het leveren van voldoende tegenbewijs, mede omdat zij haar stellingen niet met bewijs onderbouwde en geen relevant bewijsaanbod deed. Het hof had daarom terecht geoordeeld dat Malt-in-Trade niet als derde te goeder trouw kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtspraak omtrent bestuurdersaansprakelijkheid en de bescherming van derden bij vernietiging van rechtshandelingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat Malt-in-Trade niet als derde te goeder trouw kan worden aangemerkt blijft in stand.