ECLI:NL:PHR:2011:BL0208
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke aansprakelijkheid van bestuurder voor omzetbelasting en toetsing meldingsregeling aan EU-recht
Belanghebbende, bestuurder van een B.V. die onroerende zaken exploiteert, werd aansprakelijk gesteld voor een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1997, inclusief boete en rente. De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de bestuurder aansprakelijk was vanwege het niet tijdig melden van betalingsonmacht, waarbij het Hof de omzetbelasting op grond van artikel 37 Wet Pro OB als niet-ondernemersaansprakelijkheid beschouwde.
De Hoge Raad stelt vast dat artikel 37 Wet Pro OB een belastingschuld doet ontstaan en geen aansprakelijkheidsbepaling is. De omzetbelasting die op grond van artikel 37 Wet Pro OB is nageheven, is wel degelijk verschuldigd als ondernemer, zodat de bestuurder hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de meldingsregeling in artikel 36, vierde lid Invorderingswet, die een onweerlegbaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur inhoudt bij niet-tijdige melding, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van het EU-recht zoals uitgelegd in het arrest Federation of Technological Industries. De regeling is disproportioneel jegens bonafide bestuurders die niet kunnen bewijzen dat de te late melding niet aan hen te wijten is.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling, waarbij het hof moet onderzoeken of belanghebbende aannemelijk kan maken dat hem geen onbehoorlijk bestuur kan worden verweten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.