ECLI:NL:PHR:2011:BM3499
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugbetaling douanerechten bij bijzondere omstandigheden en klaarblijkelijke nalatigheid
Belanghebbende, een importeur van schoenen uit Azië, werd geconfronteerd met navordering van douanerechten wegens het gebruik van valse certificaten van oorsprong. Zij diende verzoeken om terugbetaling in op grond van artikel 239 van Pro het Communautair douanewetboek (CDW). De inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende zich in een bijzondere situatie bevond en dat zij niet klaarblijkelijk nalatig was, en gaf de inspecteur opdracht het dossier aan de Europese Commissie voor te leggen. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad analyseert uitgebreid de toepasselijkheid van artikel 239 CDW Pro en de uitvoeringsverordening (UCDW), waarbij wordt benadrukt dat terugbetaling alleen mogelijk is bij bijzondere omstandigheden zonder fraude of klaarblijkelijke nalatigheid. Tevens wordt besproken wanneer de Commissie betrokken moet worden bij de beoordeling van terugbetalingsverzoeken.
De conclusie is dat de nationale douaneautoriteiten verzoeken om terugbetaling zelf mogen afwijzen zonder tussenkomst van de Commissie, maar in bepaalde gevallen de zaak aan de Commissie moeten voorleggen. De nationale rechter heeft de bevoegdheid zelfstandig te oordelen over verzoeken om terugbetaling en hoeft niet altijd de Commissie te raadplegen, tenzij prejudiciële vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde zijn.
De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van klaarblijkelijke nalatigheid aan de nationale rechter toekomt, terwijl de Commissie vooral een rol speelt bij de beoordeling van bijzondere omstandigheden. De zaak bevat een uitgebreide bespreking van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de procedurele verhoudingen tussen nationale rechter, douaneautoriteiten en de Commissie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur verzoeken om terugbetaling zelf kan afwijzen, maar in bepaalde gevallen de Commissie moet raadplegen; de nationale rechter kan zelfstandig oordelen over terugbetaling zonder altijd de Commissie te betrekken.