1 De zaak hangt samen met de zaken 09/03785 en 09/04836, waarin ik heden ook concludeer.
2 Die modus operandi houdt onder meer in dat één dader verkleed als PTT-medewerker met een pakje in zijn hand aanbelt en dat degene die opendoet met geweld wordt overmeesterd.
3 Slachtoffer en getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij de indruk kreeg dat een overvaller binnen via de walkietalkie een instructie kreeg van een medepleger die buiten stond.
4 Op de portofoon zat een dactyloscopisch spoor van [betrokkene 14] (ook: [betrokkene 14]). Deze [betrokkene 14] is aangehouden samen met [betrokkene 15], die een telefoonnummer in gebruik had waarop meermalen contact is geweest met het telefoonnummer horend bij de opwaardeerkaart die is aangetroffen in de Opel Calibra waar verdachte en zijn (toenmalige) partner in reden.
5 Uit het Proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2006 (dossier nr. 06-012240, pp 147-154), dat zich bevindt bij de stukken die de Hoge Raad zijn toegezonden, blijkt dat [betrokkene 8] heeft verklaard dat verdachte dit in maart 2006 tegen hem heeft gezegd.
6 In de pleitnotitie, die is gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 28 augustus 2009, (pp. 10-11) bespreekt de raadsvrouw de vraag of [betrokkene 2] wel of niet heeft aangebeld. Haar conclusie luidt: "Kortom: we weten niet of er nu wel of niet is aangebeld. Juridisch vertaald: het bewijs voor het aanbellen ontbreekt."
7 Met weglating van de voetnootgewijze verwijzingen naar pagina's uit het zaaksdossier.
8 Ik merk op dat het Hof in de samenhangende tegen medeverdachte [medeverdachte] (09/04836) wel op het beroep op vrijwillige terugtred is ingegaan. In deze zaak was het beroep wél mede aan de poging gekoppeld.
9 Vgl. HR 12 april 2005, LJN AS6095, rov. 4.3.
10 Memorie van Toelichting, TK 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 4. Zie ook p. 21, alwaar wordt gesteld dat er in geval van vrijwillige terugtred "niets strafbaars meer [is] in de rechtswerkelijkheid".
11 Zie o.m. G.A.M. Strijards, Strafbare voorbereidingshandelingen, Zwolle, Tjeenk Willink 1995, p. 56 e.v. en p. 62 e.v.; J.L. van der Neut, Daderschap en deelneming, 1999, p. 181; J.M. van Bemmelen en Th.W. van Veen (2003). Ons strafrecht, deel 1, bewerkt door D.H. de Jonge en G. Knigge. Deventer: Kluwer, p. 216; Peter Smith, Strafbare voorbereiding, Den Haag, Boom Juridische uitgevers 2003, p. 242 e.v. en N. Keijzer, 'Het wetsvoorstel inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen: enkele vragen, MRT 1992, p. 128. Zie ook de vorige druk (2006) van J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer, p. 397.
12 H.D. Wolswijk. 'Enkele opmerkingen over vrijwillig terugtreden bij deelneming', p. 538, in: Pet af. Liber amicorum D.H. de Jong (2007). Nijmegen: Wolf Legal Publishers
13 Nota naar aanleiding van het eindverslag, TK 1992-1993, 22 268, nr. 7, p. 17
14 Wolswijk, supra noot 12
15 Memorie van Toelichting, TK 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 4
16 Anders dan De Hullu (Materieel strafrecht, 4e druk, p. 411) meen ik dat uit het feit dat de Hoge Raad een beroep op art. 46b Sr aanmerkt als een verweer in de zin van 358 lid 3 Sv geen aanwijzing oplevert dat de Hoge Raad art. 46b Sr ziet als een strafuitsluitingsgrond. Ook een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond levert een 358 lid 3-verweer op dat tot ovar leidt.
17 Met Wolswijk (supra noot 12, p. 542 e.v.), die erop wijst dat de meeste rechtsstelsels geen derdenwerking aan de vrijwillige terugtred toekennen, zou ik menen dat de vraag of de keuze van de wetgever het wenselijke recht weerspiegelt, een andere is. Ik heb mij beperkt tot de vraag naar het geldende recht. Bij die vraag kan men mijns inziens niet heen om de wetsgeschiedenis en de welbewust gekozen redactie van art. 46b Sr.
18 In min of meer gelijke zin De Hullu in de meest recente druk van Materieel strafrecht (2009, pp. 410-412). Hij stelt dat derdenwerking van vrijwillige terugtred bij een poging "wellicht per saldo toch verdedigbaar" is, "zeker voor anderen dan de medepleger". Daarbij wijst hij, in navolging van Wolswijk (supra p. 542), erop dat de uitlokker toch strafrechtelijk aansprakelijk is indien is voldaan aan de voorwaarden opgenomen in art. 46a Sr, dat de poging om een ander door bepaalde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, strafbaar stelt.