1 Het Hof heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem in de strafzaak met parketnummer 14-700821-07 onder 1 (primair en subsidiair), 4 en onder 7 primair is tenlastegelegd.
2 Deze zaak hangt samen met de zaken met nummer 09/03997 en 09/03785, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3 De voetnoten, waarin het Hof verwijst naar de bewijsmiddelen waaraan het de vermelde feiten en omstandigheden heeft ontleend, laat ik omwille van de leesbaarheid achterwege.
4 Ik merk op dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wel "de lange Pool" werd genoemd en [betrokkene 19] "de korte Pool".
5 Zie p. 2 van de cassatieschriftuur: "Dat verzoeker aanwezig zou zijn geweest bij een bespreking over een eventuele inbraak in Breezand kan uit de bewijsmiddelen wellicht worden afgeleid."
6 Zie de door verdachte ter zitting van 5 juni 2009 in hoger beroep afgelegde verklaring (proces-verbaal van 5 juni 2009, p. 21).
7 Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het ging om een man die hem in het Russisch begroette en verder: "Ik heb de man die mij in het Russisch begroette één keer gezien. Hij was dikker dan ik, niet gespierd, meer vet, lang blond haar. Hij droeg een rood jack en zag er ongeschoren en onverzorgd uit. Ik schat zijn leeftijd op 40 jaar. Hij was groter dan [betrokkene 19]." (zie p. 23 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 5 juni 2009)
8 Het tweede middel concludeert primair tot vernietiging van het hele arrest en subsidiair tot gedeeltelijke vernietiging, te weten voor zover het de veroordeling betreft voor de zaak Breezand, de deelneming aan een criminele organisatie en de strafoplegging.
9 Deze namen duiken niet alleen op in de processen-verbaal van de zittingen van het Hof, maar ook in het requisitoir van het OM en in de pleitnotities van de raadsman van verdachte. En daar waar wordt verwezen naar de zaak Kalk, gaat het overigens niet om verwijzingen naar specifieke stukken uit dat dossier, maar om meer algemene verwijzingen naar het onderzoek in de zaak Kalk.
10 Zie (p. 17 en 18 van het) proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 4 juni 2009: op die zitting is getuige [betrokkene 3] eerst in de Oscar-zaak en vervolgens in de Kalk-zaak gehoord (p. 17 en 18). De verklaring afgelegd in de Kalk-zaak is opgenomen in het proces-verbaal in de zaak tegen [medeverdachte].
11 Het OM zou zich op schending van de artt. 348 en 350 Sv kunnen beroepen als ten voordele van de verdachte wordt acht geslagen op stukken die niet ter sprake zijn gebracht.
12 In gelijke zin wnd. A-G Keijzer in zijn conclusie voorafgaande aan HR 6 oktober 1998, LJN: AB9537, NJ 1998, 881.
13 Wat de Hoge Raad voor de norm houdt, is intussen niet geheel duidelijk. In het in de vorige noot genoemde arrest casseerde de Hoge Raad niet, "reeds" omdat het desbetreffende stuk alleen een feit van algemene bekendheid bevatte. Kennelijk slaagde de klacht ook om een andere reden niet. Dat kan zijn omdat de Hoge Raad geen bezwaar heeft tegen de bedoelde wijze van vermelden, maar dat kan ook zijn vanwege andere redenen. In de conclusie wordt melding gemaakt van de inhoud van het verkorte proces-verbaal van de zitting. Dat proces-verbaal hoeft van de voorlezing van stukken e.d. echter geen melding te maken.
14 Een iets ander type geval deed zich voor in het al genoemde HR 6 oktober 1998, LJN: AB9537, NJ 1998, 88, waarin het ging om een stuk dat een feit van algemene bekendheid bevatte. De nietigheid werd hier gerelativeerd, hoewel de verdediging met het bestaan van het stuk niet bekend was (maar het daarin vermelde feit wel kende). Zie ook HR 3 januari 1984, LJN: AB8233, NJ 1984, 443, waarin de inhoud van het stuk ook bleek uit een ander stuk, dat wél ter sprake was gebracht.
15 Vgl. HR 27 februari 1939, NJ 1939, 864.
16 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2008, p. 622.
17 Ook de voetnoten 16 en 51 worden niet genoemd, maar dat is naar ik aanneem een vergissing.
18 Datzelfde geldt vermoedelijk ook met betrekking tot voetnoot 7, waarin eveneens naar beide dossiers wordt verwezen.
19 Vgl. noot 14.
20 Dat geldt in het bijzonder voor de voetnoten 15, 16, 17, 18, 19 en 20.
21 Kasimberg heeft verklaard over "een soort voorverkenning". Zie p. 18 van het bestreden arrest.
22 Zie p. 21 van het bestreden arrest. Dit was de afspraak: "Ze (waaronder verdachte; toevoeging A-G) moesten wachten totdat ze die man zagen en dan moesten ze aanvallen. In de auto blijven zitten totdat ze die man zagen, zodra hij zijn huis zou binnengaan zouden ze actie ondernemen."
23 Memorie van Toelichting, TK 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 4. Zie ook p. 21, alwaar wordt gesteld dat er in geval van vrijwillige terugtred "niets strafbaars meer [is] in de rechtswerkelijkheid".
24 Zie o.m. G.A.M. Strijards, Strafbare voorbereidingshandelingen, Zwolle, Tjeenk Willink 1995, p. 56 e.v. en p. 62 e.v.; J.L. van der Neut, Daderschap en deelneming, 1999, p. 181; J.M. van Bemmelen en Th.W. van Veen (2003). Ons strafrecht, deel 1, bewerkt door D.H. de Jonge en G. Knigge. Deventer: Kluwer, p. 216; Peter Smith, Strafbare voorbereiding, Den Haag, Boom Juridische uitgevers 2003, p. 242 e.v. en N. Keijzer, 'Het wetsvoorstel inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen: enkele vragen, MRT 1992, p. 128. Zie ook de vorige druk (2006) van J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer, p. 397.
25 H.D. Wolswijk. 'Enkele opmerkingen over vrijwillig terugtreden bij deelneming', p. 538, in: Pet af. Liber amicorum D.H. de Jong (2007). Nijmegen: Wolf Legal Publishers
26 Nota naar aanleiding van het eindverslag, TK 1992-1993, 22 268, nr. 7, p. 17
27 Wolswijk, supra noot 25
28 Memorie van Toelichting, TK 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 4
29 Anders dan De Hullu (Materieel strafrecht, 4e druk, p. 411) meen ik dat uit het feit dat de Hoge Raad een beroep op art. 46b Sr aanmerkt als een verweer in de zin van 358 lid 3 Sv geen aanwijzing oplevert dat de Hoge Raad art. 46b Sr ziet als een strafuitsluitingsgrond. Ook een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond levert een 358 lid 3-verweer op dat tot ovar leidt.
30 Met Wolswijk (supra p. 542 e.v.), die erop wijst dat de meeste rechtsstelsels geen derdenwerking aan de vrijwillige terugtred toekennen, zou ik menen dat de vraag of de keuze van de wetgever het wenselijke recht weerspiegelt, een andere is. Ik heb mij beperkt tot de vraag naar het geldende recht. Bij die vraag kan men mijns inziens niet heen om de wetsgeschiedenis en de welbewust gekozen redactie van art. 46b Sr.
31 In min of meer gelijke zin De Hullu in de meest recente druk van Materieel strafrecht (2009, pp. 410-412). Hij stelt dat derdenwerking van vrijwillige terugtred bij een poging "wellicht per saldo toch verdedigbaar" is, "zeker voor anderen dan de medepleger". Daarbij wijst hij, in navolging van Wolswijk (supra p. 542), erop dat de uitlokker toch strafrechtelijk aansprakelijk is indien is voldaan aan de voorwaarden opgenomen in art. 46a Sr, dat de poging om een ander door bepaalde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, strafbaar stelt.