1 Onderdeel 2 van deze conclusie bevat (i) een samenvatting van het procesverloop, (ii) een samenvatting van de door het Hof vastgestelde feiten (voor zover van belang in cassatie), (iii) citaten uit gedingstukken en (iv) aspecten die in cassatie niet (meer) in geschil zijn.
2 Rechtbank Haarlem 15 juni 2007, nr. AWB 06/004258 IB/PVV, LJN BL3199, NTFR 2010/1042.
3 Hof Amsterdam 19 november 2009, nr. P07/00466, LJN BK7680, NTFR 2010/200, met noot Meijer.
4 Hof Amsterdam, 19 november 2009, nrs. P07/00463, 07/00464 en 07/00465, LJN LJN BK7677; bij u aanhangig onder nr. 09/05158.
5 Zie r.o. 4.3.3.2 in de onderhavige hofuitspraak.
6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, Rome,
4 november 1950 (Trb. 1951/154); in werking getreden op 31 september 1953.
7 Zie bijv. HR 29 september 1993, nr. 28 400, na conclusie Van Soest, LJN ZC5466, BNB 1993/330, VN 1993, 3232.
8 Zie onder meer HR 7 januari 1976, nr. 17 792, LJN AX3829, BNB 19976/42 en HR 26 januari 1983, nr. 21 507, LJN AW8992, BNB 1983/90, met noot Den Boer, Fed 1983/1811, met aantekening Wasch, V-N 1983, 443.
9 Diss., p. 112.
10 Zie ook M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 304-305, en E.B. Pechler, 'Omkering van de bewijslast', NTFRB 2008/26.
11 Conclusie in zaak 09/05158, onderdeel 6.3.
12 HR 18 april 2008, nr. 07/10035, LJN BC9548, BNB 2008/139, met noot Albert, NTFR 2008/761, met noot Hemels, V-N 2008/20.11.
13 Zie ook onderdeel 6 van de noot van Marres in BNB 2009/190.
14 Kamerstukken II 1997-1998, 25 175, nr. 6, p. 6 (nota van wijziging bij wetsvoorstel Aanpassing van het fiscale procesrecht aan de algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht).
15 Handelingen II, 8 april 1998, blz. 71-5313, mk en rk.
16 HR 4 juni 2010, nr. 09/01362, na conclusie AG IJzerman, LJN BL7972, AB 2010/225, met noot Willemse, Fed 2010/84, met aantekening Smit, NTFR 2010/1380, met noot Den Ouden, V-N 2010/26.8.
17 Het gaat om Kamerstukken II 2003/04, 29 251 (Wetsvoorstel belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties), nr. 3, blz. 8-11, onder meer inhoudende:
"3.3 Incidenteel hoger beroep
(...).
Incidenteel hoger beroep houdt kort gezegd in dat een partij die aanvankelijk zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, dit bij verweerschrift alsnog kan doen, indien de andere partij in hoger beroep blijkt te komen. Daaraan kan behoefte bestaan, indien de eerste rechter beide partijen gedeeltelijk in het gelijk heeft gesteld. Een partij die in een dergelijke uitspraak berust, kan in een relatief ongunstige positie komen indien de andere partij wel hoger beroep instelt. De rechtsstrijd in hoger beroep wordt namelijk beperkt tot de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger beroep. De andere partij kan zich daartegen uiteraard verweren, maar niet zelf alsnog haar eigen bezwaren tegen de uitspraak van de eerste rechter naar voren brengen. Anders gezegd: de berustende partij kan er door het hoger beroep nog wel op achteruit gaan, maar niet meer op vooruit gaan, tenzij zij zelf alsnog hoger beroep instelt. Dit laatste kan echter praktisch onmogelijk zijn, bijvoorbeeld als de andere partij op de laatste dag van de termijn hoger beroep instelt, en vergt in ieder geval een grote mate van alertheid. De termijn voor hoger beroep bedraagt immers slechts zes weken.
Nu is een en ander natuurlijk het gevolg van de aanvankelijke keuze van de desbetreffende partij om in de eerste uitspraak te berusten. Maar deze keuze zal vaak mede zijn ingegeven door de wens om "van de zaak af te zijn". Als dat toch niet meer lukt, omdat de andere partij hoger beroep instelt, kan de aanvankelijk berustende partij de behoefte hebben om dan ook de onderdelen van de eerste uitspraak waarbij zij in het ongelijk is gesteld, aan te vechten. Incidenteel hoger beroep komt aan deze behoefte tegemoet. Daarnaast loopt de partij die het eerste ("principaal") hoger beroep instelt, in de voorgestelde regeling het risico van een incidenteel hoger beroep en daarmee van een achteruitgang ten opzichte van de uitspraak van de eerste rechter. Dit bevordert een zorgvuldige afweging van de voor- en nadelen van hoger beroep en daarmee een doelmatig gebruik van kostbare voorzieningen van rechtspraak.
In de literatuur (Ch. J. Langereis, Hoger beroep in belastingzaken, WFR 2002, blz. 1341) is gesteld dat bij een ruime opvatting van de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep, zoals in de vorige paragraaf verdedigd, de behoefte aan incidenteel hoger beroep afneemt. Dat is op zichzelf juist, maar overbodig wordt het incidenteel hoger beroep daardoor niet, omdat ook deze ruime opvatting niet verhindert dat een partij de omvang van zijn hoger beroep vrijwillig beperkt. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat een belastingplichtige in eerste aanleg enerzijds aanvoert dat de enkelvoudige belasting te hoog is vastgesteld en anderzijds dat geen boete had mogen worden opgelegd. De rechtbank verwerpt de bezwaren betreffende de enkelvoudige belasting, maar vernietigt de boete omdat - bijvoorbeeld - het zwijgrecht van de belastingplichtige zou zijn geschonden. De belastingplichtige berust aanvankelijk in deze uitspraak, maar de inspecteur komt in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over het zwijgrecht. Ook in de ruime opvatting zou de belastingplichtige dan in hoger beroep de enkelvoudige belasting niet meer ter discussie kunnen stellen, tenzij hij zelf alsnog hoger beroep instelt."
18 HR 25 juni 2010, nr. 09/03377, LJN BM9144, NTFR 20101847, met noot van de Merwe, V-N 2010/30.10.
19 HR 13 augustus 2010, nr. 09/02017, LJN BN3855, NTFR 2010/1973, met noot Van de Merwe, V-N 2010/37.7.
20 Asser/Hartkamp & Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Verbintenissenrecht. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte (6-II*), Deventer: Kluwer 2009, p. 352 - 358.
21 EHRM 12 juli 2001 nr. 44759/98 (Ferrazzini v. Italië), §29, AB 2004/400, met noot Barkhuysen, NJ 2004/435, met noot Alkema, NJCM-Bulletin 2002, p. 400 e.v., met noot Bender en Douma, EHRC 2001/57, met noot Heringa, BNB 2005/222, met noot Langereis, V-N 2001/44.5.
22 Zie bijvoorbeeld HR 12 december 1973, nr. 17 223, LJN AX4591, BNB 1974/11: "dat de door de wet voorgeschreven termijn van beroep is van openbare orde, zodat niet-inachtneming daarvan tot niet-ontvankelijkheid leidt". Zie over onderzoek van ambtswege naar de inachtneming van bezwaar- en beroepstermijnen: A. Beukers-van Dooren en M. Jansen, 'Openbare orde en ambtshalve toetsing in het fiscale (proces)recht', TFB, nr. 7, november 2009, blz. 5 e.v., met name onderdeel 3.2. Zie ook HR 28 november 2008, nr. 07/13364, LJN BG5442, BNB 2009/15, V-N 2008/59.6, NTFR 2008/2350, met noot Thomas, en HR 29 mei 1996, nr. 30 950, LJN AA1892, BNB 1996/282, met noot Ilsink.
23 Zie onder meer HR 2 juli 1986, nr. 23 353, na conclusie Van Soest, LJN AW7941, BNB 1986/291, met noot Scheltens, V-N 1986, 1731.
24 HR 22 april 1998, nr. 33 249, LJN AA2428, BNB 1998/214, met noot Wattel, Fed 1998/420, met aantekening Klein Sprokkelhorst.
25 HR 9 oktober 1996, nr. 30 872, LJN AA1913, na conclusie Van Soest, BNB 1997/53, met noot Wattel,
Fed 1996/948, met aantekening Klein Sprokkelhorst, V-N 1996, 4183. Zie ook HR 8 januari 2004, nr. 38 599, LJN AO1503, BNB 2004/127.
26 Zie A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint bv 1985, p. 279 - 281.
27 Zie onder meer HR 26 mei 1998, nr. 107.232, na conclusie Jörg, LJN ZD1218, NJ 1998/873; HR 5 juli 2005, nr. 02953/04, na conclusie Jörg, LJN AT5840, JOL 2005/409; HR 30 mei 2006, nr. 02584/02 E II, na conclusie Vellinga, LJN AV0359, NJ 2006/366, m.nt. P.A.M. Mevis; HR 23 januari 2007, nr. 01206/06E, na conclusie Vellinga, LJN AZ3863, JOL 2007/64; HR 16 september 2008, nr. 07/11471, na conclusie Knigge, LJN BD3701, RvdW 2008/874, JOL 2008/664. Zie ook Van Dorst, t.a.p., en Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Deventer: Gouda Quint bv 1996, p. 620-621.
28 'Aanmelding-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010' van het Directoraat-generaal Belastingdienst, kennisgeving van 11 december 2009, nr. DGB 2009-6253M, Stcrt. 2009, 20351.
29 Wet van 7 juli 2006, Stb. 2006, 330.
30 Zie V-N 2010/8.4. Zie over de fiscale strafbeschikking: R. Steenman, 'De strafbeschikking: een nieuwe afdoeningsmogelijkheid voor fiscale delicten', WFR 2005/1415, en G.J.M.E. de Bont, 'De fiscale strafbeschikking: een ongewenste nouveauté?!', WFR 2005/1553.
31 Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 139-140 (Memorie van toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht))
32 Zie: Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, p. 2 (Voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb).
33 Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, p. 66-67 (Voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb).
34 Kamerstukken II 1993/94, 23 479 (Wijziging van de AWR en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht), nr 3, p.46.
35 EHRM 21 februari 1990, nr. 11855/85 (Håkansson and Sturesson v. Zweden), LJN AD1036, NJ 1991/624, met noot Alkema.
36 EHRM 24 juni 1993, nr. 14518/89 (Schuler-Zgraggen v. Zwitserland), LJN ZB5293, Fed 1993/920, met aantekening Feteris, RSV 1994/69.
37 EHRM 23 november 2006, nr. 73053/01 (Jussila v. Finland), LJN AZ9064, AB 2007/51, met noot Barkhuysen, BNB 2007/150, met noot Feteris, EHRC 2007/31, met noot Albers, Fed 2007/36, met aantekening Thomas, NTFR 2007/857, met noot Kors, V-N 2007/28.6.
38 HR 18 december 1991, nr. 27 761, LJN ZC4855, BNB 1992/133, V-N 1992, 1289.
39 HR 25 oktober 2000, nr. 35 697, LJN AA7844, BNB 2001/10, NTFR 2000/1595, met noot Ligthart, V-N 2000/49.3.
40 Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 december 1997, nr. AFZ97/2412, V-N 1997/4702.