ECLI:NL:PHR:2011:BN9759
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat rentevoordeel uit in- en doorlenen gelden belastbaar is als resultaat uit overige werkzaamheden
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, leende in 2003 een aanzienlijk bedrag van zijn vennootschap tegen een zakelijke rente van circa 2,5% en plaatste dit op internetspaarrekeningen met een hogere rente van circa 3,6%, waardoor hij een rentevoordeel behaalde. De Inspecteur kwalificeerde dit voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden en belastte het in box 1. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, maar het Hof vernietigde dit en oordeelde dat sprake was van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat het inlenen en uitzetten van gelden in onderlinge samenhang als werkzaamheden in het economisch verkeer moeten worden gezien, met het oogmerk en de redelijke verwachting van voordeel. Het voordeel werd niet toegekend door de BV, maar door belanghebbende zelf als directeur en aandeelhouder die zijn positie gebruikte om rentearbitrage te realiseren.
De Hoge Raad benadrukte dat het begrip arbeid in deze context niet strikt hoeft te zijn en dat ook beperkte handelingen voldoende kunnen zijn om het voordeel als arbeidsinkomen te kwalificeren. Het arrest bevestigt dat het rentevoordeel niet kan worden aangemerkt als normaal vermogensbeheer, maar als resultaat uit overige werkzaamheden belastbaar is in box 1. Het beroep in cassatie werd daarom gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het rentevoordeel uit het in- en doorlenen van gelden is belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden.