ECLI:NL:PHR:2011:BO1584

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02257
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 SvArt. 410 SvArt. 418 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste maatstaf bij afwijzing verzoek tot horen runners en informanten als getuigen

In deze zaak heeft het hof het verzoek van de verdediging om runners en informanten als getuigen te horen afgewezen. Het hof motiveerde deze afwijzing door te stellen dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen onvoldoende aannemelijk was gemaakt, waarbij het noodzakelijkheidscriterium werd toegepast.

De verdediging had de getuigen binnen de daarvoor gestelde termijn opgegeven in de appelschriftuur en beriep zich op het verdedigingsbelang als maatstaf voor het horen van getuigen. De Hoge Raad stelt dat in een dergelijk geval, gelet op artikel 418, eerste lid, Sv, de maatstaf van artikel 288, eerste lid, Sv (het verdedigingsbelang) dient te worden gehanteerd en niet het noodzakelijkheidscriterium.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld door het noodzakelijkheidscriterium toe te passen en dat het middel van cassatie daarom slaagt. Er zijn geen gronden om het arrest verder te vernietigen, maar de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling volgens de juiste maatstaf.

De zaak betreft een veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een drugsdelict. De verdediging wilde de betrouwbaarheid van de informatie van runners en informanten toetsen, omdat deze informatie ten grondslag lag aan het onderzoek en de verdenking.

De Hoge Raad benadrukt dat het horen van getuigen in hoger beroep beoordeeld moet worden aan de hand van het verdedigingsbelang, vooral wanneer de getuigen binnen de termijn zijn opgegeven, en niet aan het strengere noodzakelijkheidscriterium.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens toepassing van de verkeerde maatstaf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 09/02257
Mr. Hofstee
Zitting: 12 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam, zittinghoudende te 's-Gravenhage wegens het medeplegen van een drugsdelict veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf.(1)
2. Namens verzoeker heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de runners en informanten te horen en keert zich in het bijzonder tegen de door het hof gehanteerde maatstaf.
4. Uit de stukken blijkt de volgende procesgang, voor zover hier van belang.
Namens verzoeker is op 23 november 2005 hoger beroep ingesteld. De toenmalige raadsvrouw van verzoeker heeft vervolgens bij appelschriftuur van 7 december 2005 onder meer verzocht om de runners en de informanten als getuigen op te roepen. Het hof heeft dat verzoek afgewezen ter terechtzitting van 9 april 2008, omdat de noodzaak tot het horen van deze getuigen onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Blijkens het proces-verbaal van de op 2 en 3 april 2009 gehouden terechtzitting en de op 3 april 2009 overgelegde pleitaantekeningen heeft de raadsman het verzoek tot het horen van voornoemde getuigen op beide dagen herhaald en het hof verzocht diens, aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium genomen, beslissing te heroverwegen omdat het verzoek had dienen te worden beoordeeld naar de maatstaf van het verdedigingsbelang (nu de getuigen bij appelschriftuur zijn opgegeven binnen de daarvoor gestelde termijn). Het hof heeft in zijn bestreden arrest van 17 april 2009 bedoeld verzoek definitief afgewezen.
5. Het hof heeft deze definitieve afwijzing als volgt gemotiveerd:
"De raadsman heeft verzocht om alsnog te horen de getuige [getuige 1] (CIE), runners en informanten. De onderbouwing van dit verzoek heeft niet louter betrekking op feit 1, zodat het hof het verzoek zal bespreken. Op 12 april 2005 heeft de rechter-commissaris de getuige [getuige 1] (CIE) gehoord. Blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal is de toenmalige raadsman van de verdachte niet verschenen. Wel zijn verschenen enkele advocaten van medeverdachten. Op 9 april 2008 heeft het hof het horen van de bedoelde getuigen afgewezen, omdat de noodzaak om deze getuigen te horen onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Het hof heeft overwogen dat de getuige [getuige 1] (CIE) door de rechter-commissaris is gehoord over de informanten en dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen en van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Dat de beantwoording van de vragen voor de verdediging niet steeds bevredigend was, doet daaraan niet af. De rechtbank heeft de CIE-informatie ook niet voor het bewijs gebruikt.
De raadsman heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd waarom deze getuigen alsnog zouden moeten worden gehoord. Hij heeft slechts gesteld, dat het hof ten onrechte heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium, waar dat volgens de raadsman had moeten plaatsvinden aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang.
Het hof ziet geen gronden om op zijn eerder genomen beslissing terug te komen. Het verzoek om runners en informanten te horen met het oog op een rechtens te respecteren verdedigingsbelang is slechts in algemene termen gedaan. De verdediging is niet in haar belangen geschaad door het niet horen van bedoelde personen, nu de getuige [getuige 1] (CIE) door de rechter-commissaris over de informanten en de betrouwbaarheid van de informatie is gehoord. De verdediging was in de gelegenheid bij dat verhoor aanwezig te zijn en vragen in te brengen, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het opnieuw horen van de getuige [getuige 1] en het alsnog horen van runners en informanten dient alleen plaats te vinden indien de noodzaak daartoe aannemelijk is geworden. De raadsman heeft die noodzakelijkheid niet nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Dat de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris voor de (huidige) verdediging niet bevredigend is, maakt dit niet anders. Nu het hof ook ambtshalve geen gronden ziet om de bedoelde getuigen te horen, zal het verzoek worden afgewezen.
Overigens zal ook het hof geen CIE-informatie voor het bewijs gebruiken."
6. In de op voet van art. 410, eerste lid, Sv ingediende appelschriftuur is een opgave van getuigen gedaan als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv(2). Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient alsdan de rechter - gelet op art. 418, eerste lid, Sv - de in art. 288, eerste lid, Sv voorziene maatstaven te hanteren bij zijn beoordeling van het verzoek, in geval de getuigen niet ter zitting zijn verschenen en de verdachte zijn verzoek handhaaft.(3)
7. Voor het onderhavige geval betekent dit dat het hof het verzoek slechts kon afwijzen op de in art. 288, eerste lid, aanhef en onder c, Sv genoemde grond: redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het afzien van de oproeping van de runners en informanten als getuigen verzoeker niet in zijn verdediging wordt geschaad. Uit 's hofs hiervoor weergegeven beslissing op dat verzoek en de daaraan ten grondslag gelegde motivering kan niet (zonder meer) volgen dat het hof de hier van toepassing zijnde maatstaf van het verdedigingsbelang heeft toegepast. Weliswaar merkt het hof even op dat de verdediging niet in haar belangen is geschaad door het niet horen van de bedoelde personen(4), nu de CIE-getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris over de informanten is gehoord(5), maar in zijn vervolgoverwegingen laat het hof er geen misverstand over bestaan dat het (ten onrechte) heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Het hof overweegt immers dat het alsnog horen van runners en informanten alleen dient plaats te vinden indien de noodzaak daartoe aannemelijk is geworden en dat de raadsman die noodzakelijkheid niet nader heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Aldus heeft het hof de verkeerde maatstaf aangelegd en is het middel terecht voorgesteld.(6)
8. Ik heb mij nog wel afgevraagd of zulks tot cassatie heeft te leiden (hoewel de rechtspraak van de Hoge Raad op het onderhavige terrein onverbiddelijk lijkt). Is het immers niet zo dat het hof voor de bewezenverklaring geen CIE-informatie, maar alleen de door verzoeker afgelegde verklaringen en de processen-verbaal van een tiental afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken heeft gebruikt? En kan in zoverre niet worden gezegd dat de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring zelfstandig dragen, zodat verzoeker geen belang heeft bij zijn gelijk?
9. Zo liggen de kaarten echter niet. Ter 's hofs zitting van 11 maart 2008 heeft de raadsman ter toelichting van het verzoek tot het horen van de runners en informanten verwezen naar zijn brief van 2 november 2007. Ook de toelichting op het middel wijst op deze brief. In die, zich in het dossier bevindende, brief wordt inderdaad het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur opgegeven getuigen toegelicht(7), en wel, voorzover hier van belang, op de volgende wijze:
"Reeds bij gelegenheid van het verhoor van [betrokkene 1] is al aangegeven dat ik de runners van de betrokken informanten en de informanten zelf wilde horen. Datzelfde geldt voor de overige runners en informanten. Zij liggen ten grondslag aan het ontstaan van de verdenking en de inzet van allerlei opsporingsmiddelen. De verdediging wil de betrouwbaarheid van die informatie kunnen toetsen. Dat is van belang zowel qua sfeertekening alsmede doordat de betreffende informatie tot de start van het onderzoek heeft geleid".
10. Nu ook vaststaat dat het verzoek destijds is gedaan om het ontstaan van de verdenking, de start van het onderzoek en de inzet van de opsporingsmiddelen te kunnen toetsen, meen ik dat er geen enkele grond is om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad terzake.
11. Het middel treft dus doel.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en tot terugwijzing naar het hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/02257, 09/02259 en 09/01850. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
2 Na het indienen van de appelschriftuur is art. 410 Sv Pro gewijzigd (Wet van 5 oktober 2006, Stb. 470; i.w.tr. 1 maart 2007). Voor de onderhavige zaak is deze wijziging van geen betekenis.
3 Zie onder meer: HR 4 maart 2008, LJN BC3678, NJ 2008, 157 (r.o. 3.5.1.); HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626, m.nt. Mevis; HR 22 april 2008, LJN BC5977, NJ 2008, 313, m.nt. Mevis; en HR 3 februari 2009, LJN BG6577.
4 Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het hof zekerheidshalve toch ook maar dit criterium heeft laten 'vallen'.
5 Zij het dus buiten aanwezigheid van de toenmalige raadsvrouw van verzoeker.
6 Zie naast in de noot 3 aangehaalde jurisprudentie ook nog HR 2 maart 2010, LJN BK5516, NJ 2010, 145 en HR 25 mei 2010, LJN BL9018.
7 Blijkens de kop heeft de brief betrekking op de zaak van medeverdachte F. (nr. 09/02259, als genoemd in noot 1), die toen werd bijgestaan door dezelfde raadsman. Uit de mededelingen op pagina 4 van de brief kan echter worden afgeleid dat hetzelfde voor de zaak van verzoeker geldt en dat de raadsman in verzoekers zaak geen afzonderlijke brief heeft gestuurd omdat de tekst nagenoeg gelijkluidend zou zijn geweest.