ECLI:NL:PHR:2011:BO1584
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onjuiste maatstaf bij afwijzing verzoek tot horen runners en informanten als getuigen
In deze zaak heeft het hof het verzoek van de verdediging om runners en informanten als getuigen te horen afgewezen. Het hof motiveerde deze afwijzing door te stellen dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen onvoldoende aannemelijk was gemaakt, waarbij het noodzakelijkheidscriterium werd toegepast.
De verdediging had de getuigen binnen de daarvoor gestelde termijn opgegeven in de appelschriftuur en beriep zich op het verdedigingsbelang als maatstaf voor het horen van getuigen. De Hoge Raad stelt dat in een dergelijk geval, gelet op artikel 418, eerste lid, Sv, de maatstaf van artikel 288, eerste lid, Sv (het verdedigingsbelang) dient te worden gehanteerd en niet het noodzakelijkheidscriterium.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld door het noodzakelijkheidscriterium toe te passen en dat het middel van cassatie daarom slaagt. Er zijn geen gronden om het arrest verder te vernietigen, maar de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling volgens de juiste maatstaf.
De zaak betreft een veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een drugsdelict. De verdediging wilde de betrouwbaarheid van de informatie van runners en informanten toetsen, omdat deze informatie ten grondslag lag aan het onderzoek en de verdenking.
De Hoge Raad benadrukt dat het horen van getuigen in hoger beroep beoordeeld moet worden aan de hand van het verdedigingsbelang, vooral wanneer de getuigen binnen de termijn zijn opgegeven, en niet aan het strengere noodzakelijkheidscriterium.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens toepassing van de verkeerde maatstaf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.