ECLI:NL:PHR:2011:BO2956

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02997
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 395 SvArt. 395a SvArt. 404 SvArt. 410a SvArt. 80 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis kantonrechter wegens ontbreken proces-verbaal en aantekening mondeling vonnis

De rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van een Algemene Plaatselijke Verordening en een geldboete opgelegd. Verdachte stelde tijdig beroep in cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad constateert echter dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de kantonrechter ontbreekt, evenals de verplichte aantekening van het mondelinge vonnis zoals voorgeschreven in art. 395.2 Sv.

Dit verzuim betekent dat de Hoge Raad de cassatiemiddelen niet kan beoordelen, omdat niet kan worden vastgesteld of de vereiste vormen zijn nageleefd. Het stempelvonnis in het dossier is hiervoor onvoldoende. Omdat het vonnis niet voldoet aan de wettelijke vereisten, kan het niet in stand blijven.

De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank te 's-Gravenhage voor een nieuwe berechting en afdoening, zodat het proces-verbaal en de aantekening alsnog kunnen worden opgemaakt volgens de wettelijke voorschriften.

Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd wegens ontbreken van het proces-verbaal en de aantekening van het mondelinge vonnis, en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

Nr. 09/02997
Mr. Aben
Zitting 26 oktober 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, heeft de verdachte bij vonnis van 23 oktober 2007 ter zake van overtreding van art. 2.4.17, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Wassenaar veroordeeld tot een geldboete van vijftig euro (subsidiair één dag hechtenis).
2. De verdachte heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.L. Sandberg-Crommelin, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Aan bespreking van de middelen kom ik echter niet toe op grond van het navolgende. Ingevolge art. 395a, eerste lid, Sv in verbinding met art. 395, tweede lid, aanhef en onder c, Sv dient, indien tegen een vonnis van de kantonrechter binnen drie maanden een gewoon rechtsmiddel is aangewend en art. 410a, eerste lid, Sv niet van toepassing is, van het onderzoek op de terechtzitting van de kantonrechter proces-verbaal te worden opgemaakt en het vonnis in dit proces-verbaal te worden aangetekend zoals vastgesteld in de Ministeriële Regeling van 2 oktober 1996(1).
3.2. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich niet een proces-verbaal van de terechtzitting van de kantonrechter van 23 oktober 2007. Aangenomen moet worden dat van de genoemde terechtzitting geen proces-verbaal is opgemaakt en de in art. 395, tweede lid, Sv bedoelde aantekening van het mondelinge vonnis derhalve niet heeft plaatsgevonden.(2) Met dit verzuim hangt samen dat een beoordeling van de in het onderhavige geval voorgestelde middelen van cassatie niet mogelijk is. Het wel in het dossier aanwezige zgn. stempelvonnis is voor een dergelijke beoordeling niet voldoende. Nu evenmin kan worden vastgesteld of de in art. 80, tweede lid, RO bedoelde vormen door de kantonrechter zijn nageleefd, kan het bestreden vonnis niet in stand blijven.(3)
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank te 's-Gravenhage, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep (2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197).
2 Navraag bij de griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage heeft uitgewezen dat alle beschikbare stukken aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
3 Vgl. HR 27 juni 2006, LJN AX6409, HR 3 januari 2006, LJN AU6792, HR 30 januari 2001, LJN ZD2276, HR 15 januari 2002, LJN AD6221 en HR 22 februari 2000, LJN ZD7448.