7. Het hof heeft bij eindarrest van 20 januari 2009 de vonnissen van de rechtbank Breda vernietigd en opnieuw recht doende de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen. Het hof heeft hiertoe onder meer overwogen alsvolgt.
In het tussenarrest is ingegaan op de gevolgen van de stelling van [eiser] c.s. dat de curator in het faillissement van [betrokkene 2] de overeenkomst van 1 oktober 2002 tussen [betrokkene 2] en [verweerder 1] vernietigd heeft. Voor zover [eiser] c.s. van mening zijn dat zij als consignatiegever een beroep zouden kunnen doen op deze vernietiging door de curator als vertegenwoordiger van de consignatiegevers, wijst het hof dit van de hand. Immers, de curator verklaart als getuige (getuige [de getuige]) dat de familie [eiser] niet één van die belanghebbenden was die hij vertegenwoordigde "omdat zij tegen mij hadden gezegd dat zij zelf al bezig waren met een actie tegen [verweerder 1]". Deze verklaring van de curator is niet tegengesproken door [eiser] c.s., zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. (rov. 8.1)
[Eiser] c.s. zijn belast met het bewijs van hun stelling dat de koopovereenkomst vals was en dat [betrokkene 2] op 1 oktober 2002 niet beschikkingsbevoegd was. (rov. 8.2)
Met betrekking tot de stelling van [eiser] c.s. dat de koopovereenkomst vals was - waarmee bedoeld wordt dat er op die datum geen sprake was van een koopovereenkomst - geldt dat het hof [eiser] c.s. niet geslaagd acht in het bewijs van dit probandum. Allereerst is er de schriftelijke koopovereenkomst d.d. 1 oktober 2002. Hetgeen [eiser] c.s. aanvoeren omtrent de prijs die voor de in de overeenkomst van 1 oktober 2002 genoemde schilderijen - met name voor het litigieuze schilderij - betaald is, doet niet af aan de conclusie dat op die datum een overeenkomst van koop is ondertekend. (rov. 8.6)
Met betrekking tot het bewijs dat [betrokkene 2] niet beschikkingsbevoegd was, komt het hof op grond van de volgende overwegingen tot de conclusie dat ook dit bewijs niet door [eiser] c.s. is geleverd. Het gaat hier uiteraard om de vraag of [betrokkene 2] bevoegd was om de eigendom van het schilderij te doen overgaan en niet om de vraag of [betrokkene 2], door te handelen als hij heeft gedaan, daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de consignatieovereenkomst met [betrokkene 1]. Niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] niet bevoegd was om de (beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de) eigendom van het schilderij aan derden te doen overgaan. Waar getuige [betrokkene 1] verklaart dat hijzelf de koopovereenkomst zou opstellen en dat [betrokkene 2] vóór een eventuele verkoop eerst overleg met hem, [betrokkene 1], zou plegen, hoeft dit immers niet zonder meer gezien te worden als een voorwaarde voor het bestaan van beschikkingsbevoegdheid. Zowel de verklaring van getuige [betrokkene 1] als de getuigenverklaring van [betrokkene 2] maken duidelijk dat het de bedoeling was dat [betrokkene 2] het schilderij zou verkopen en leveren ten behoeve van - uiteindelijk - [eiser] c.s. De opdracht, die in deze overeenkomst besloten lag, lijkt [betrokkene 2] beschikkingsbevoegd te hebben gemaakt om op eigen naam maar voor rekening van [betrokkene 1]/[eiser] c.s. het schilderij te verkopen en te leveren. De omstandigheid dat [betrokkene 2] het voor een lager bedrag dan afgesproken heeft verkocht, brengt niet zonder meer mee dat hij niet beschikkingsbevoegd was om het schilderij voor [betrokkene 1] te verkopen en te leveren. (rov. 8.7)
Op grond van de door het hof genoemde verklaringen en de schriftelijke koopovereenkomst acht het hof voldoende bewezen dat het schilderij anders dan om niet aan [verweerder] c.s. is verkocht. De omstandigheid, dat genoemd bedrag van € 80.000,-- "belachelijk laag" zou zijn, doet hier in beginsel niet aan af. [Eiser] c.s. hebben vorenstaande conclusie niet voldoende ontzenuwd. Zij voeren voornamelijk aan en trachten te bewijzen dat de hele koopovereenkomst vals is. Dit heeft het hof echter niet bewezen geacht. (rov. 8.10)
[Eiser] c.s. zijn voorts niet erin geslaagd te bewijzen dat de stellingen van [verweerder] c.s. die de conclusie rechtvaardigen dat [verweerder 1] op 1 oktober 2002 te goeder trouw was ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2] (zie het tussenarrest), onjuist zijn. Het bewijs van [eiser] c.s. bestaat voornamelijk erin dat [verweerder 1] door de kwestie met [C] had moeten begrijpen dat [betrokkene 2] in grote geldnood verkeerde en daardoor niet meer te vertrouwen was. [eiser] c.s. wijzen met name op de fax van 23 augustus 2002 van [betrokkene 2] aan [verweerder 1]. Naar het oordeel van het hof had [verweerder 1] op grond van zijn ervaring met [betrokkene 2] op 1 oktober 2002 wel op zijn hoede moeten zijn vooral op het gebied van financiën, in die zin dat hij erop bedacht zou moeten zijn dat hij telkens direct het geld kreeg waarop hij recht had, maar [verweerder 1] behoefde op grond van voornoemde fax niet erop bedacht te zijn dat [betrokkene 2] schilderijen zou verkopen die hem in het geheel niet toebehoorden. Dit geldt temeer als men daarbij betrekt de getuigenverklaring van [betrokkene 2]. [Eiser] c.s. hebben evenmin op andere wijze bewezen dat [verweerder] c.s. op 1 oktober 2002 erop bedacht hadden behoren te zijn dat [betrokkene 2] niet beschikkingsbevoegd was. In dat licht bezien kan van een particulier als [verweerder 1], die het schilderij voor zijn eigen verzameling koopt, niet zonder meer verwacht worden dat deze een onderzoek instelt naar de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper, in casu [betrokkene 2], die het schilderij onder zich heeft. Dit wordt niet anders als het schilderij in kwestie voor een bijzonder laag bedrag (€ 80.000,- i.p.v. de vraagprijs ad € 135.000,-) verkocht wordt. (rov. 8.11)
[Eiser] c.s. hebben evenmin bewezen dat de koopovereenkomst van 1 oktober 2002 vals is in de zin van geantedateerd. (rov. 8.11)