ECLI:NL:PHR:2011:BO4030

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01711
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 SvArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens ontoelaatbare beperking hoger beroep

In deze zaak heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hoger beroep niet was ingesteld tegen de beslissing van de politierechter op de vordering tot tenuitvoerlegging, wat volgens het hof niet toegestaan is onder artikel 407 Sv Pro. Het hof oordeelde dat deze beslissing niet als een 'gevoegde zaak' kon worden beschouwd en dat het hoger beroep daarom niet op de juiste wijze was ingesteld.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde dat deze niet-ontvankelijkverklaring onbegrijpelijk was. De fout lag bij de raadsman van de verdachte die een ontoelaatbare beperking aan het hoger beroep had toegevoegd. De Hoge Raad benadrukt dat een verdachte geacht wordt het openstaande rechtsmiddel te willen gebruiken en dat fouten van de raadsman niet ten koste van de verdachte mogen komen.

Verder wees de advocaat-generaal erop dat het hof voorbij had kunnen gaan aan de fout door de beperking als niet geschreven te beschouwen, zeker omdat de raadsman dit ook had verzocht en het Openbaar Ministerie geen bezwaar maakte. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor nieuwe berechting zonder de ontoelaatbare beperking.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte instellingsvereisten bij hoger beroep en de mogelijkheid om fouten in de procesvoering te herstellen om toegang tot de rechter niet onnodig te beperken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting zonder de ontoelaatbare beperking van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 09/01711
Mr. Vellinga
Zitting: 9 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
2. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
4. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de volgende gronden:
"Het hof stelt vast dat, blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 14 augustus 2008, de door de verdachte tot het instellen van het appèl bepaaldelijk gevolmachtigde raadsvrouw de beslissing van de politierechter op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 09-900733-07 uitdrukkelijk van het hoger beroep heeft uitgezonderd. Op grond van artikel 407, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld. De beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, ingegeven door een vóór het einde van de proeftijd gepleegd strafbaar feit, maakt deel uit van dat vonnis en valt niet als een "gevoegde zaak" in de zin van artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan te merken. Het hof is dan ook van oordeel dat het hoger beroep niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingesteld."
5. Bij de beoordeling van het oordeel van het Hof dient te worden vooropgesteld dat een verdachte in het algemeen geacht moet worden het volgens de wet openstaande rechtsmiddel te hebben willen aanwenden. De omstandigheid dat het beroep is ingesteld door de raadsman is geen omstandigheid op grond waarvan deze regel uitzondering zou moeten leiden.(1)
6. In het onderhavige geval heeft het Hof geoordeeld dat uit de omstandigheid dat de wet niet toelaat dat van het hoger beroep de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging wordt uitgezonderd, volgt dat het hoger beroep niet op de juiste wijze is ingesteld en dat daarvan niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep het gevolg moet zijn.
7. Dit oordeel acht ik niet begrijpelijk. In de eerste plaats gaat het hier om een door de wet niet toegestane beperking van het hoger beroep, aangebracht door verdachtes raadsvrouw. In het licht van hetgeen hiervoor is vooropgesteld ligt het niet in de rede deze fout voor rekening van de verdachte te laten komen.
8. Ook anderszins begrijp ik niet waarom het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft geacht in plaats van voorbij te gaan aan een door de wet niet toegestane beperking. Dat zou niet in strijd zijn met verdachtes belang. Verdachtes raadsvrouw verzocht immers die beperking als niet geschreven te beschouwen. Het belang van het Openbaar Ministerie verzette zich niet tegen het opvatten van het hoger beroep als onbeperkt ingesteld: volgens de Advocaat-Generaal diende het hoger beroep als onbeperkt ingesteld te worden opgevat. Voorts ging het hier niet om een beperking van het hoger beroep tot een bijkomende beslissing maar tot de hoofdzaak. Het negeren van die beperking ten aanzien van een ondergeschikt deel van het vonnis ligt dan meer voor de hand dan bijzaak èn hoofdzaak van het hoger beroep uit te sluiten.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 oktober 1995, 100.605, LJN ZD0249 (niet gepubl.) en HR 30 juni 1998, NJ 1999, 136. Nog anders HR 27 maart 1990, NJ 1990, 655, m.nt. ThWvV. Zie voor het geval waarin de Officier van Justitie een niet-openstaand rechtsmiddel instelt HR 22 juni 2010, LJN BK9727, LJN BK9728 en LJN BK9729.