ECLI:NL:PHR:2011:BO4060

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02272
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 225 SrArt. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onjuiste afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte verdachte

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte bij verstek veroordeeld wegens medeplegen van valsheid in geschrift. De verdachte was wegens een operatie aan zijn bovenkaak verhinderd om op de terechtzitting te verschijnen en verzocht om aanhouding van de behandeling. Het hof wees dit verzoek af, stellende dat de verdachte naar de zitting had kunnen komen en dat mondeling of schriftelijk verweer mogelijk was.

De Hoge Raad stelt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte, zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro, in beginsel meebrengt dat aan een aanhoudingsverzoek wegens ziekte moet worden voldaan om de verdachte de mogelijkheid te geven aanwezig te zijn. Echter kan het belang van een behoorlijke strafvordering, waaronder een redelijke termijn, zwaarder wegen. De rechter moet het verzoek zorgvuldig beoordelen en mag van de verdachte bewijs verlangen ter onderbouwing.

In deze zaak was het aanhoudingsverzoek voldoende onderbouwd met een medische verklaring waaruit bleek dat de verdachte moeilijk kon spreken na een recente operatie. Er waren geen eerdere verzoeken gedaan en het belang van een snelle afdoening werd niet concreet aangetoond. Daarom kon het hof het verzoek niet afwijzen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Daarnaast wordt het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte bewust was van het valselijk opmaken van geschriften verworpen, omdat het hof voldoende bewijs had voor het opzet.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onjuiste afwijzing van het aanhoudingsverzoek wegens ziekte.

Conclusie

Nr. 09/02272
Mr. Vegter
Zitting: 9 november 2010
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 20 mei 2009 verdachte wegens "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (nr. 09/02271), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens verdachte heeft mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding wegens ziekte van de verdachte heeft afgewezen.
5. De raadsman van de verdachte heeft bij faxbericht van 4 mei 2009 verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat de verdachte - kort gezegd - nog te veel hinder zou ondervinden van een op 24 april 2009 uitgevoerde operatie aan zijn bovenkaak.(1) Een andere raadsman van de verdachte heeft dit aanhoudingsverzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2009 herhaald.(2) Het Hof heeft dit verzoek op die terechtzitting afgewezen en heeft daartoe overwogen dat de verdachte naar de zitting had kunnen komen, nu ter terechtzitting moet worden beoordeeld of de verdachte zich - mondeling of desnoods schriftelijk - kan verweren. Vervolgens heeft het Hof verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.
6. Indien de verdachte door ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.
7. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.(3)
8. In het licht van hetgeen hiervoor onder 6 en 7 is vooropgesteld kan het oordeel van het Hof de afwijzing van het verzoek gelet op het navolgende niet dragen. De raadsman van de verdachte heeft het aanhoudingsverzoek zowel voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep (in het faxbericht) als op die terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwd. Hij heeft daartoe onder meer een medische verklaring van de huisarts van de verdachte overgelegd, waaruit volgt dat de verdachte kort daarvoor aan zijn bovenkaak is geopereerd en als gevolg daarvan moeilijk kon praten. Bovendien zijn er door de verdediging geen eerdere verzoeken tot aanhouding gedaan, terwijl het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin anderszins reeds geschorst is geweest. Voorts zijn er op de terechtzitting in hoger beroep geen getuigen of slachtoffers verschenen, terwijl de tenlastegelegde feiten slechts ruim twee jaren voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep zijn begaan. Aldus valt zonder nadere motivering niet in te zien dat het belang van een behoorlijke strafvordering - hetwelk omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen door toewijzing van het aanhoudingsverzoek.(4)
9. Het middel slaagt.
10. Het tweede middel zal ik in verband met het slagen van het eerste uiterst kort bespreken en die bespreking zal ik zo nodig op verzoek van uw Raad nader aanvullen. Het middel bevat de klacht dat het Hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich ten tijde van het opmaken van het geschrift bewust was - in de zin van (voorwaardelijk) opzet - van het feit dat hij door het verlenen van medewerking aan het opstellen van het contract zichzelf schuldig zou maken aan het valselijk opmaken van enig geschrift.
11. De steller van het middel miskent dat "valselijk opmaken" in de zin van art. 225, eerste lid, Sr het op die handeling gerichte opzet omvat.(5) Valselijk opmaken impliceert derhalve opzet gericht op het "vals maken" van het geschrift.(6) Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte op 19 april 2007 in Tilburg samen met [medeverdachte] (de zwager van de verdachte) valselijk zowel een huurovereenkomst(7) (bewijsmiddelen 1, 2, 4, 5 en 6) als een overnameovereenkomst(8) (bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 7) heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.
12. Het middel faalt.
13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Dit faxbericht is afkomstig van mr. R. van 't Land, advocaat te Breda, en is gericht aan de Voorzitter van het Hof. Aan dit faxbericht is een medische verklaring van 4 mei 2009 van [huisarts], huisarts te [plaats], gehecht.
2 Als raadsman van de - niet verschenen - verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. R. Herregodts, advocaat te Breda, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door de verdachte om de verdediging te voeren.
3 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers, HR 21 april 2009, LJN BH5174, HR 7 april 2009, LJN BH0566, NJ 2009, 186 en HR 9 mei 2000, LJN AA5730, NJ 2002, 466, m.nt. Kn.
4 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers, HR 21 april 2009, LJN BH5174, HR 7 april 2009, LJN BH0566, NJ 2009, 186, HR 6 november 2007, LJN BB4856, NJ 2007, 603 en HR 24 mei 2005, LJN AS8855, NJ 2005, 397.
5 Vgl. HR 18 maart 1986, NJ 1986, 770, rov. 5.2.
6 Vgl. Verheul, T&C Sr, 8e, aant. 11 onder e op art. 225 Sr Pro.
7 Deze huurovereenkomst houdt in dat de kantoorruimte op het adres [a-straat 1] te [plaats] door [medeverdachte] met ingang van 1 maart 2007 is verhuurd aan [betrokkene 1] (de buurvrouw van [medeverdachte]).
8 Deze overnameovereenkomst vermeldt dat [betrokkene 1] met ingang van 1 maart 2007 de onderneming [A], gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats], voor een bedrag van € 6.000,- heeft overgenomen van [medeverdachte] en dat zij van dat bedrag al € 3.000,- aan hem zou hebben betaald.