ECLI:NL:PHR:2011:BO5235

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02824 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting wegens onjuiste schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak gaat het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde na een diefstal van een laptop uit een auto te Eindhoven. Het hof had het voordeel geschat op fl. 2000,-, terwijl de gemiddelde opbrengst van een gestolen laptop op fl. 1000,- werd gesteld. De schatting van het hof was mede gebaseerd op afgeluisterde telefoongesprekken die echter niet in de bewijsvoering waren opgenomen.

De advocaat van de veroordeelde stelde cassatie in tegen deze schatting, stellende dat het hof onbegrijpelijk had gehandeld door het voordeel hoger te schatten dan bij vergelijkbare feiten. De Procureur-Generaal stelde dat het hof bij zaak 40 geen beschikking had over afgeluisterde gesprekken en daarom een algemene schatting hanteerde, terwijl bij zaak 16 wel concrete gegevens beschikbaar waren.

Desalniettemin concludeerde de Procureur-Generaal dat de afgeluisterde gesprekken niet onomstotelijk aantonen dat de laptop daadwerkelijk fl. 2000,- had opgebracht en dat het hof mogelijk een misslag had begaan. Om verdere procedures te voorkomen, stelde hij voor dat de Hoge Raad zelf de schatting zou corrigeren en de betalingsverplichting zou verminderen.

De Hoge Raad volgt deze conclusie, vernietigt het arrest van het hof en vermindert de betalingsverplichting van de veroordeelde met € 226,89 tot een totaal van € 2042,01, welke aan de Staat toekomt.

Uitkomst: Betalingsverplichting verminderd tot € 2042,01 na vernietiging arrest hof wegens onjuiste schatting.

Conclusie

Nr. 09/02824 P
Mr Jörg
Zitting 16 november 2010
Conclusie inzake:
[Verzoeker = betrokkene]
1. Aan verzoeker is bij arrest van 16 april 2004 door het gerechtshof te Amsterdam de verplichting opgelegd om € 5000 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens verzoeker heeft mr R.P. Adema, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich blijkens de toelichting tegen het oordeel van het hof waarbij de opbrengst van een soortgelijk feit (namelijk het ad informandum gevoegde feit 3, zaakdossier 16) op fl. 2000 is geschat, in plaats van op fl. 1000.
4. Het hof heeft bij de schatting van het voordeel gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
"Zaakdossier 16: Diefstal laptop te Eindhoven op 4 april 2001 [doorgenummerde pagina's 23 e.v.]
Op 4 april 2001 deed [betrokkene 1] aangifte van diefstal van een laptop merk IBM, uit een personenauto van het merk Renault, type Scenic en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] welke stond geparkeerd op het parkeerterrein van het Novotel te Eindhoven. Aan de hand van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken bleek dat de veroordeelde [betrokkene 2] en [betrokkene] deze laptop uit die personenauto weggenomen hadden en deze te koop hadden aangeboden aan [betrokkene 3].
Verklaring veroordeelde [betrokkene]
Tijdens zijn inbewaringstelling is de veroordeelde [betrokkene] nader verhoord over bovenstaand feit. Hij verklaarde het volgende:
• dat hij de diefstal uit de auto wel gepleegd heeft;
• hij zich weer kan herinneren dat het bij het Novotel te Eindhoven was;
• dat hij samen was met de jongen waarmee hij de sigaretten had gestolen in Eindhoven (veroordeelde [betrokkene 2]);
• hij het parkeerterrein van het hotel een man uit zijn auto zag stappen en zag dat deze man een laptop achterin de kofferbak van zijn auto legde;
• die ander deze auto openbrak en de laptop eruit wegnam;
• hij onderweg de laptoptas opende en er een laptop van het merk IBM Thinkpad 600 E in zag zitten;
• deze is verkocht voor een bedrag tussen de fl. 1000,- en fl. 1200,- aan iemand waarvan hij de naam niet wil noemen.
Bepaling Wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel voor de veroordeelden [betrokkene 2] en [betrokkene] wordt uitgegaan van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaring van de veroordeelde [betrokkene] die in combinatie met de gevoerde telefoongesprekken als juist wordt verondersteld. In dit feit wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel berekend een bedrag van fl. 2000,- welk bedrag ponds-ponds gewijs over de veroordeelden dient te worden verdeeld. Na toepassing hiervan wordt aan de veroordeelde [betrokkene 2] en aan de veroordeelde [betrokkene] een bedrag van fl. 1000.- voordeel berekend.
5. Aangevoerd wordt in de toelichting op het middel dat het hof bij zaak 40 (Aanvulling op het arrest, p. 2) uitgaat van de gemiddelde opbrengst van een gestolen laptop van fl. 1000. Daarom zou onbegrijpelijk zijn dat bij zaaksdossier 16 de opbrengst op fl. 2000 is geschat.
6. De steller van het middel ziet over het hoofd dat bij zaak 40 het hof niet de beschikking had over afgeluisterde telefoongesprekken en daarom van een algemene schatting is uitgegaan, terwijl bij zaak 16 nu juist wel de opbrengst concreet kon worden geschat mede op basis van afgeluisterde telefoongesprekken.
7. Daar staat tegenover dat het hof bij alle andere zaken kennelijk de door verzoeker genoemde opbrengst van gestolen laptops (mede) tot uitgangspunt heeft genomen. Die bedragen variëren van fl. 1000 tot fl. 1500. Bij hogere schattingen gaat
het om twee gestolen laptops, eventueel met nog wat extra opbrengst van ander gestolen goed.
8. Voorts worden de afgeluisterde telefoongesprekken niet zó in de bewijsvoering weergegeven dat daaruit onomstotelijk volgt dat de litigieuze laptop inderdaad fl. 2000 heeft opgebracht. Op het Internet heb ik niet gevonden dat de IBM Thinkpad 600E een uitzonderlijk kostbare laptop was.
9. Het ziet er naar uit dat het hof een misslag heeft begaan, die evenwel niet kennelijk is. Nochtans zou ik Uw Raad willen voorstellen om de rekening voor Justitie niet nog verder te laten oplopen door de zaak terug te wijzen naar het hof voor een nieuwe behandeling, maar zelf ambtshalve de geschatte opbrengst van zaak 16 met fl. 1000 te verminderen; deze evenals het hof ponds-pondsgewijs toe te delen; het totale geschatte voordeel op fl. 4500 te stellen; en zodoende een betalingsverplichting van € 2042,01 op te leggen, ten goede te komen aan de Staat.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot vermindering van de betalingsverplichting met € 226,89, zodat die verplichting € 2042,01 beloopt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G