ECLI:NL:PHR:2011:BO5366

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04890
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste vaststelling detentie bij hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep. Het hof had geoordeeld dat verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak niet gedetineerd was, wat de grond vormde voor de niet-ontvankelijkverklaring.

De advocaat-generaal stelde echter dat uit het dossier blijkt dat verdachte op het moment van dagvaarding en tijdens de zitting wel degelijk in detentie was, hetgeen ook blijkt uit een formulier met gegevens uit het geautomatiseerde informatiesysteem VIP. Hierdoor was het oordeel van het hof onbegrijpelijk en had het hof niet zonder meer verstek mogen verlenen.

De Hoge Raad concludeert dat het middel slaagt en vernietigt het bestreden arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep, zodat verdachte alsnog zijn verdediging kan voeren.

Er zijn geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging door de Hoge Raad. De uitspraak onderstreept het belang van correcte vaststelling van de detentiestatus van een verdachte bij de beoordeling van ontvankelijkheid in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 09/04890
Mr. Hofstee
Zitting: 16 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Verzoeker is bij arrest van 25 november 2009 door het gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens verzoeker heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat verzoeker ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep. Uit de stukken wordt, volgens de steller van het middel, niet duidelijk op welke datum verzoeker in hoger beroep is gedagvaard, zodat niet kan worden gecontroleerd of verzoeker op dat moment was gedetineerd. Voorts klaagt het middel dat ten onrechte op 25 november 2009 is geconcludeerd dat hij twee dagen voor de terechtzitting en op de dag van de terechtzitting niet gedetineerd zat, met als gevolg dat verstek is verleend en verzoeker niet in gelegenheid is geweest zijn verdediging te voeren.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 november 2009 houdt onder meer het volgende in:
"De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden, 2 dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn."
5. Blijkens zich in het dossier bevindende stukken is aan verzoeker op 21 oktober 2009 de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt, terwijl verzoeker uit anderen hoofde in het huis van bewaring gedetineerd was. Voorts bevindt zich bij deze stukken een formulier waaruit kan worden opgemaakt dat tijdens de controle in VIPS is gebleken dat verzoeker twee dagen voor de zitting en op de dag van de zitting wèl was gedetineerd. Derhalve is 's hofs oordeel dat verzoeker ten tijde van de zitting, alsmede twee dagen daarvóór, niet gedetineerd was, niet begrijpelijk en had het hof niet zonder meer verstek mogen verlenen.(1)
6. Het middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 (r.o. 3.33).