ECLI:NL:PHR:2011:BO5760
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling na afloop looptijd
In deze zaak heeft de bewindvoerder cassatie ingesteld tegen een arrest van het hof dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling had afgewezen omdat de reguliere looptijd van drie jaar was verstreken. De rechtbank had eerder de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, waarna het hof dit vernietigde en oordeelde dat de regeling op grond van het verstrijken van de looptijd was geëindigd.
De Hoge Raad stelt vast dat de schuldsaneringsregeling niet automatisch eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor deze is uitgesproken. Voor beëindiging is een rechterlijke beoordeling vereist of de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Tussentijdse beëindiging blijft mogelijk zolang de regeling niet formeel is beëindigd volgens de wettelijke bepalingen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat tussentijdse beëindiging niet meer mogelijk was na het verstrijken van de looptijd. De bewindvoerder wordt ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep, maar het aanvullend verzoekschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen nieuwe gronden bevat.
De uitspraak verduidelijkt het wettelijke stelsel van de schuldsanering en benadrukt het belang van een rechterlijke toetsing bij beëindiging van de regeling, waarbij het verstrijken van de termijn niet automatisch het einde betekent.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling mogelijk blijft na het verstrijken van de looptijd zolang de regeling niet formeel is geëindigd.