ECLI:NL:PHR:2011:BO6136

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02350
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf van drie weken voor verduistering door hof

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken voor verduistering. In eerste aanleg was de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor het subsidiair tenlastegelegde, maar dit werd door het hof bevestigd met toepassing van artikel 63 Sr Pro.

De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het vonnis en vrijspraak van het primair tenlastegelegde, met veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf voor het subsidiair tenlastegelegde. De verdediging stelde dat het hof abusievelijk sprak over een straf van drie maanden, terwijl de werkelijke straf drie weken bedroeg.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad abusievelijk sprak over drie maanden gevangenisstraf, maar dat dit geen feitelijke grondslag heeft en de straf daadwerkelijk drie weken bedroeg. Het middel van cassatie faalde omdat de verdachte geen belang had bij vernietiging, aangezien de straf ongewijzigd bleef. De conclusie van de procureur-generaal was verwerping van het beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot drie weken gevangenisstraf voor verduistering.

Conclusie

Nr. 09/02350
Mr. Aben
Zitting 23 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 9 april 2009 het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 9 september 2008 bevestigd, waarbij de verdachte ter zake van "verduistering" was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.P. Visser beroep in cassatie ingesteld en een een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel behelst de klacht dat de beslissing van het hof tot bevestiging van het vonnis van de politierechter onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
3.2. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - het volgende in (blz. 1-2):
"Onderzoek van de zaak
(...)
"Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vrijspraak van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.
(...)
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.
(...)
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof - ook met toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht - niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter.
Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve met de aanvulling als voormeld te worden bevestigd.
Beslissing (bij verstek)
Het hof:
Bevestigd met aanvulling als voormeld het vonnis waarvan beroep."
3.3. De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 9 september 2008 houdt - voor zover hier van belang - in (blz. 6):
"Beslissing
De politierechter,
(...)
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenissttraf voor de duur van drie weken."
3.4. De steller van het middel wijst erop dat in het bestreden arrest twee keer ten onrechte wordt gesproken over een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden: éénmaal bij de weergave van de vordering van de advocaat-generaal en éénmaal bij de weergave van het dictum van het vonnis in eerste aanleg. Uit de handgeschreven notities op het formulier houdende de vordering van de advocaat-generaal in hoger beroep kan, zij het met enige moeite, worden opgemaakt dat de betreffende vordering een gevangenisstraf voor de duur van drie weken betrof. De gevangenisstraf die de verdachte in eerste aanleg opgelegd heeft gekregen bedroeg eveneens drie weken.
3.5. Hoewel het middel derhalve terecht is voorgesteld, behoeft het niet tot cassatie leiden. Nu de beslissing van het hof tot bevestiging van het (dictum van het) vonnis van de politierechter in eerste aanleg voor de verdachte hoe dan ook 'slechts' een gevangenisstraf voor de duur van drie weken meebrengt, heeft de verdachte bij het middel geen belang.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden