ECLI:NL:PHR:2011:BO6699

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02521
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring geweldpleging in vereniging onvoldoende onderbouwd

Op 1 januari 2006 vond in een café/discotheek te Doetinchem een geweldsincident plaats waarbij verdachte en een ander betrokken waren. Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging en mishandeling, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat hij het geweld samen met een ander had gepleegd. Het cassatiemiddel betoogde dat uit de bewijsvoering niet voldoende blijkt dat het geweld in vereniging is gepleegd, omdat niet expliciet is vastgesteld dat de ander ook tegen het slachtoffer heeft geslagen.

De Hoge Raad overwoog dat hoewel het hof niet expliciet vermeldde dat de ander ook heeft geslagen, uit de verklaringen en omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte en de ander vrijwel de hele tijd samen waren en gezamenlijk met het slachtoffer hebben gevochten. Dit maakt de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf gehandhaafd blijven. Er werden geen ambtshalve cassatiegronden gevonden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 09/02521
Mr. Knigge
Zitting: 30 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 2 juni 2009 ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde "mishandeling" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis. Het Hof heeft bepaald dat bij de uitvoering van de taakstraf tweeëntwintig uren in mindering worden gebracht in verband met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel betoogt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat het geweld door verdachte met een ander in vereniging is gepleegd.
5. Ten laste van verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
"hij op 1 januari 2006, te Doetinchem, met een ander in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in cafe/discotheek [A], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer]."
6. Het Hof heeft de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt onder het kopje "Overweging met betrekking tot het bewijs" van zijn arrest "Promisgewijs" weergegeven. Het middel betoogt dat uit die overwegingen weliswaar kan worden afgeleid dat verdachte tegen het hoofd van het [slachtoffer] (het slachtoffer) heeft geslagen en gestompt, maar niet dat een ander, te weten: [betrokkene 1], eveneens tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen of gestompt. Uit de door het Hof gebezigde redengevende feiten en omstandigheden zou - met andere woorden - niet blijken dat verdachte het bewezenverklaarde slaan en/of stompen tegen het hoofd van [slachtoffer] "in vereniging met een ander" heeft gepleegd.
7. Hoewel uit de door het Hof gebezigde redengevende feiten en omstandigheden inderdaad niet expliciet blijkt dat verdachte in de vroege uren van nieuwjaarsdag 2006 het slachtoffer samen met [betrokkene 1] tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, blijkt uit de desbetreffende (Promis)overwegingen wél dat verdachte en [betrokkene 1] oudejaarsavond(1) vrijwel de hele tijd bij elkaar zijn geweest en dat het Hof heeft gerefereerd aan de door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2009 afgelegde verklaring "dat verdachte en hij hebben gevochten." Kennelijk heeft het Hof deze verklaring aldus verstaan dat [betrokkene 1] en verdachte met [slachtoffer] (het slachtoffer) hebben gevochten. Deze uitleg is - in het licht van de gehele verklaring die [betrokkene 1], als getuige, ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd - niet onbegrijpelijk, nu [betrokkene 1] bij die gelegenheid onder meer heeft verklaard dat hij bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 november 2007 terecht is veroordeeld voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] op 1 januari 2006 in de [A].(2) Bij deze lezing van de bewijsmotivering van het Hof mist het middel feitelijke grondslag.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
9. Gronden waarop de uitspraak ambtshalve zou moeten worden gecasseerd, zijn door mij niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Die avond hield uiteraard niet op om 0.00 uur, maar liep over in de "vroege uren van nieuwjaarsdag 2006".
2 Zie p. 3 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 19 mei 2009.