ECLI:NL:PHR:2011:BO6759

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03623
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnisArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 359 SvArt. 425 SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofarrest wegens onrechtmatige strafoplegging bij diefstal

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen en hem veroordeeld tot twee maanden hechtenis. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad onderzocht drie middelen van cassatie. Het eerste middel betrof de vermeende onvolledigheid van de motivering van het bewijs, maar dit werd verworpen omdat het hof voldoende verwees naar de processtukken.

Het tweede en derde middel richtten zich op de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte hechtenis had opgelegd terwijl de wet voor het feit een gevangenisstraf van maximaal zes jaar of een geldboete voorschrijft en hechtenis niet is toegestaan. Bovendien had het hof nagelaten de keuze voor de vrijheidsstraf te motiveren zoals vereist volgens art. 359, zesde lid Sv.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing over de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van het gehele arrest.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor een passende strafbeslissing.

Conclusie

Nr. 09/03623
Mr. Knigge
Zitting: 30 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 augustus 2009 verdachte wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het Hof - in strijd met het gestelde in art. 359, derde lid Sv en art. 3 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep - heeft nagelaten de inhoud van de wettige bewijsmiddelen op te nemen in het in het proces-verbaal ter terechtzitting aangetekende arrest.
5. Het bestreden arrest is gewezen door een enkelvoudige strafkamer van het Hof en is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
6. Dat proces-verbaal houdt in:
"De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het dossier in deze strafzaak, waaronder:
1. Een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 augustus 2009.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 4 maart 2003 (doorgenummerde pagina's 27 - 32), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
3. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 4 maart 2003 (doorgenummerde pagina 35), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2].
4. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 4 maart 2003 (doorgenummerde pagina 36), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3].
5. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 15 maart 2003 (doorgenummerde pagina's 18-19), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4].
6. Een geschrift, zijnde het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 juni 2007 (doorgenummerde pagina's 43 - 49).
De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart - zakelijk weergegeven -:
A. Ik kom nooit in Den Helder en ik ben niet in een witte Opel meegereden. Ik heb geen verklaring hoe het komt dat mijn DNA op de plaats van het delict is aangetroffen. Ik weet niet of ik ooit in Den Helder ben geweest. Ik weet niet eens waar het ligt.
B. Ik heb tegen de politie gezegd: "als mijn bloed daar is gevonden dan zal het wel zo zijn". Ik heb nooit tegen de verbalisanten gezegd dat ik in het verleden 'pikkerig' was. Ik ben alleenstaand en heb geen kinderen. Ik wil na mijn detentie graag jongerenmedewerker worden. Dat wil ik doen als sportbegeleider in bijvoorbeeld straatvoetbal en basketbal. Ik heb een schuld van ongeveer 2000 euro bij vrienden en bij het Justitieel Incassobureau.
(...)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(...)
4. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
De inhoud van:
- de hiervoor onder 2 t/m 5 vermelde processen-verbaal,
- de hiervoor onder 6 vermelde geschrift,
- de hiervoor vermelde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover weergegeven onder A.
(...)"
7. De aantekening van een mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van het Hof dient ingevolge art. 425, derde lid aanhef en onder c, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197).(1)
8. Art. 3 van Pro deze Regeling houdt onder d in dat de aantekening de navolgende gegevens dient te bevatten:
"inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)."
9. De steller van het middel stelt een eis die de wet niet kent. Art. 3 van Pro de hierboven genoemde Regeling bepaalt dat bij een mondeling arrest voor de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen mag worden verwezen naar het proces-verbaal of andere processtukken. Door in het mondelinge arrest te verwijzen naar de in het proces-verbaal van de terechtzitting genoemde processen-verbaal van aangifte en verhoor en het NFI-rapport, welke stukken kunnen worden aangemerkt als "andere processtukken" in de zin van art. 3 van Pro de Regeling, heeft het Hof de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd.(2)
10. Het middel faalt.
11. Het tweede middel komt op tegen de strafoplegging. Het Hof zou een andere straf hebben opgelegd dan volgens de wet op dit feit is gesteld.
12. De aantekening van het mondeling arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"10. Opgelegde straffen
Het hof:
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden.
Met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, mede gelet op de persoon van de verdachte, zijn draagkracht en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken."
13. Op gekwalificeerde diefstal staat een strafbedreiging van een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie. Voor het begaan van dit delict kan geen hechtenis worden opgelegd.
14. Het middel slaagt.
15. Het derde middel klaagt dat een vrijheidsbenemende straf is opgelegd zonder dat het Hof de redenen heeft opgegeven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid.
16. Ook dit middel slaagt, nu het Hof heeft nagelaten de keuze voor deze vrijheidsstraf conform art. 359, zesde lid Sv, in het bijzonder te motiveren.
17. Het eerste middel faalt. De middelen twee en drie slagen.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige,
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Zie o.m. HR 8 december 2009, LJN BK5605, ro 3.3.1.
2 Vgl. HR 8 december 2009, LJN BK5605 en HR 8 december 2009, LJN BK0898.