Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende en gewone brief was verzonden en deze niet retour waren gekomen, waardoor werd aangenomen dat verdachte op de hoogte was.
Verdachte stelde in hoger beroep dat hij niet wist van de ongeldigverklaring, mede omdat het besluit naar een postbusadres was gestuurd dat hij niet gebruikte. Zijn raadsman voerde aan dat het besluit hem feitelijk niet had bereikt, wat tot ontslag van rechtsvervolging zou kunnen leiden.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkel feit dat de brieven niet retour kwamen niet zonder meer bewijs levert dat verdachte van de ongeldigverklaring op de hoogte was. Dit volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad. Daarom is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed en moet het arrest worden vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.
Conclusie
Nr. 09/03686
Mr. Knigge
Zitting 30 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 20 maart 2009 wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren.
2. Mr. J.P.J. Blotterblom, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, heeft een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat het Hof voorbij is gegaan aan het verweer dat het besluit van 5 februari 2003 van het CBR, waarbij verdachtes rijbewijs ongeldig is verklaard, verdachte niet heeft bereikt.
3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 12 augustus 2006 te Heumen terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Jan J. Ludenlaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën bestuurt"
3.3 Aan de bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd met proces-verbaalnummer 12.08.2006.2245.1098, op 12 augustus 2006 opgemaakt door [verbalisant 1], politieopsporingsambtenaar van politie Regio Gelderland Zuid, afdeling team Heumen, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Ik zag dat een persoon van wie de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd ingevolge artikel 130 WegenverkeerswetPro 1994 op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat rijbewijs was gegeven bestuurde. De overtreding vond plaats op de Jan J. Ludenlaan te Heumen. Verdachte gaf op te zijn [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats].
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanheft en onder 50 van het Wetboek van Strafvordering, te weten het besluit van 5 februari 2003, genummerd 2002.005.461, genomen namens de Minster van Verkeer en Waterstaat door S.D. Moes, hoofd divisie vorderingen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Betrokkene ([verdachte]. geboren [geboortedatum] 1936) voldoet niet aan de eisen van geschiktheid, waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen Bij betrokkene is sprake van alcoholmisbruik, Het rijbewijs wordt ongeldig verklaard voor alle categorieën. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de 7e dag na die van de dagtekening van dit besluit.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanheft en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten de brief van 20 december 2006, kenmerk 2002.005461 van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het besluit van 5 februari 2003 is aangetekend en onaangetekend verzonden. Zowel de aangetekende als de onaangetekende brieven zijn niet retour gekomen."
3.4 Blijkens het proces-verbaal van 20 maart 2009 heeft verdachte in hoger beroep verklaard:
"Ik wist niet dat ik niet mocht rijden. Ik had toentertijd een postbus maar die gebruikte ik feitelijk niet. Ik woonde in [woonplaats]. (...)."
3.5 Door verdachtes raadsman is blijkens dit proces-verbaal nog aangevoerd:
"Pas toen verdachte in oktober 2006 door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen werd opgeroepen voor een psychiatrische keuring (die naderhand een keuring betreffende ouderdom en alcoholgebruik bleek te zijn) wist verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig was. Het besluit waarin het rijbewijs van verdachte ongeldig wordt verklaard is op 5 februari 2003 onherroepelijk geworden, maar het kan zijn dat dit besluit verdachte feitelijk niet heeft bereikt. Er is wellicht sprake van dwaling die kan leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte. (...)"
3.6 Onder de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich het besluit van het CBR van 5 februari 2003 en een begeleidend schrijven van het CBR van dezelfde datum. Het in dit begeleidend schrijven genoemde adres van verdachte betreft een postbusnummer in Haarlem.
3.7 Uit de gebezigde bewijsmiddelen maak ik op dat het Hof van oordeel is dat uit de omstandigheid dat het besluit zowel per gewone post als aangetekend is verzonden en beide poststukken niet retour zijn gekomen (bewijsmiddel 3) kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs. Recent heeft de Hoge Raad echter bepaald dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit per gewone en aangetekende brief is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de betreffende geadresseerde op de hoogte is gesteld van de schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs.(1) De conclusie moet dan ook zijn dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
3.8 Het middel slaagt.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 9 maart 2010, LJN BK6140 en HR 21 september 2010, LJN BM9410.