ECLI:NL:PHR:2011:BO7058

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01116
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nihilstelling bijdrage kosten verzorging en opvoeding kinderen na echtscheiding

De zaak betreft een geschil tussen voormalig echtelieden over de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van hun twee kinderen. Na echtscheiding in 2005 was de bijdrage vastgesteld op €130 per kind per maand. De vader verzocht de bijdrage vanaf 1 juli 2007 op nihil te stellen, terwijl de moeder een verhoging tot €300 per kind per maand vorderde.

De rechtbank wijzigde de bijdrage naar €208 per kind per maand, maar het hof Amsterdam vernietigde deze beschikking en stelde de bijdrage vanaf 1 juli 2007 op nihil, met terugwerkende kracht voor reeds betaalde bedragen. De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had rekening gehouden met de financiële situatie van de vader, waaronder de huurinkomsten en hypotheeklasten van zijn woning, en dat de motiveringsklachten van de moeder faalden. Ook de klacht over de terugwerkende kracht van de nihilstelling werd verworpen wegens gebrek aan belang of onvoldoende motivering.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissing van het hof Amsterdam.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de nihilstelling van de bijdrage van de vader vanaf 1 juli 2007 wordt bevestigd.

Conclusie

09/01116
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 10 december 2010
CONCLUSIE inzake:
[De moeder],
verzoekster tot cassatie,
adv.: mr. P. Garretsen,
tegen
[De vader],
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en verweerder in cassatie (hierna: de vader) zijn in 1992 gehuwd. Bij echtscheidingsbeschikking van 21 juli 2005, ingeschreven op 8 augustus 2005, is een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van opvoeding van de twee (in 1992 en 1995) uit het huwelijk geboren kinderen bepaald van € 130,- per kind per maand.
2. Bij inleidend verzoekschrift heeft de vader de rechtbank Alkmaar verzocht de bij beschikking van 21 juli 2005 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juli 2007 op nihil te stellen. De moeder heeft van haar kant verzocht om voormelde bijdrage te verhogen tot een bedrag van € 300,- per kind per maand. Bij beschikking van 5 maart 2008 heeft de rechtbank de beschikking van 21 juli 2005 aldus gewijzigd dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juli 2007 wordt vastgesteld op € 208,- per kind per maand.
3. Op het hoger beroep van de vader heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 16 december 2008 de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 21 juli 2005, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juli 2007 op nihil bepaald, met dien verstande dat, voorzover de vader over de periode vanaf 1 juli 2007 tot de datum van uitspraak een bijdrage heeft betaald en/of een bijdrage op hem is verhaald, de bijdrage tot de datum van uitspraak wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald.
4. Namens de moeder is tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld. De vader heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
5. Het cassatieverzoekschrift bevat twee klachten, die gericht zijn tegen 's hofs oordeel in rov. 4.4, in samenhang met rov. 4.11 en 4.12 en het dictum.
6. De eerste klacht (cassatieverzoekschrift onder 6.2) luidt dat het hof - in, zo begrijp ik, rov. 4.4, tweede alinea - niet op kenbare wijze rekening houdt met de huurinkomsten die de vader uit zijn woning in Nederland geniet, hetgeen volgens de klacht zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
7. Uitgangspunt voor de beoordeling van motiveringsklachten tegen een beslissing waarbij de hoogte van een onderhoudsverplichting wordt vastgesteld, is dat ook voor een dergelijke beslissing het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang. Afgezien daarvan kunnen aan een alimentatiebeslissing geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Volgens vaste rechtspraak is de vaststelling en weging van factoren die de draagkracht (en behoefte) bepalen, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De rechter is niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens hij bij de vaststelling van de draagkracht is uitgegaan.(1)
8. Tegen deze achtergrond faalt de eerste klacht. Het hof heeft in rov. 2.4 onder "De feiten" onder meer vastgesteld dat de vader, woonachtig op [woonplaats], in Nederland een met hypotheek bezwaarde woning in eigendom heeft die hij verhuurt voor € 470,- netto per maand, terwijl de hypotheekrente € 911,- per maand bedraagt. Aldus blijkt uit de beschikking van welke feiten het hof bij de vaststelling van de alimentatie op dit punt is uitgegaan. Dat het hof in de bestreden rov. 4.4, tweede alinea, vervolgens overweegt dat het "evenals de rechtbank" - die de hypotheeklasten becijferde op de fiscaal aftrekbare hypotheekrente verminderd met de kale huur(2) - "rekening houdt met de hypotheeklasten" zonder daarbij tevens met zoveel woorden de huuropbrengst te noemen, laat zich verklaren uit de omstandigheid dat die huuropbrengst in appel geen onderwerp van discussie was, terwijl de vader, zo blijkt uit rov. 4.4, wel is opgekomen tegen de vaststelling van de rechtbank dat de hypotheekrente fiscaal aftrekbaar is.
9. Uit het voorgaande volgt dat de eerste klacht eveneens faalt voor zover zij is gericht tegen de op rov. 4.4 voortbouwende rov. 4.11.
10. De tweede klacht (onder 6.3 van het verzoekschrift) is gericht, zo begrijp ik, tegen 's hofs beslissing - in het verlengde van zijn oordeel dat van de moeder in redelijkheid geen terugbetaling kan worden gevergd (rov. 4.12) - dat voor zover de vader tussen de ingangsdatum van de nihilstelling en de datum van uitspraak een bijdrage heeft betaald en/of een bijdrage op hem mocht zijn verhaald, de bijdrage tot de datum van uitspraak wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald (onder 5, dictum). De moeder wil met de klacht voorkomen dat zij geacht wordt in die beslissing te hebben berust.
11. De klacht geeft niet aan waarom het recht is geschonden of de beslissing onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is, en voldoet in zoverre niet aan de te stellen eisen. Voor zover, uitgaande van nihilstelling per 1 juli 2007, wordt opgekomen tegen 's hofs oordeel dat het sindsdien eventueel betaalde of verhaalde niettemin door de vader verschuldigd is, faalt de klacht bij gebrek aan belang. Voor zover de klacht berust op het uitgangspunt dat op de vader ook na 1 juli 2007 een betalingsplicht rust, stuit zij af op het falen van de eerste klacht.
12. Nu de in het verzoekschrift aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie HR 22 september 2006, LJN AX8848, NJ 2006, 520, en HR 17 maart 2000, LJN AA5167, NJ 2000, 313. Zie voorts Asser/De Boer I* 2010, nr. 620, met vermelding van jurisprudentie.
2 Beschikking van de rechtbank, p. 2.