ECLI:NL:PHR:2011:BO7522

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01662
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij verkeersovertredingen

Verzoeker tot cassatie, een gescheiden man met gezondheidsproblemen en een bijstandsuitkering, vroeg in december 2009 toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schuld van ruim €71.000, waaronder boetes van het CJIB voor 19 verkeersovertredingen. De rechtbank wees het verzoek in februari 2010 af wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de CJIB-schuld. Het hof bevestigde dit oordeel en wees op het grote aantal overtredingen en het ontbreken van bewijs voor overmacht of onschuld.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen behandelverklaring had verlangd en dat de richtlijnen van Recofa onvoldoende waren toegepast, met name met betrekking tot de verschillende soorten boetes (Mulder- en Strabis-boetes). De Hoge Raad oordeelde dat de behandelverklaring niet relevant was voor het oordeel over goede trouw en dat de richtlijnen slechts richtlijnen zijn, geen bindende regels.

Het hof had terecht het grote aantal overtredingen in korte tijd meegewogen en het gebrek aan bewijs voor overmacht of onschuld. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof begrijpelijk en verwierp het cassatieberoep. De afwijzing van het verzoek tot schuldsanering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.

Conclusie

Zaaknummer: 10/01662
mr. Wuisman
Parketdatum: 3 december 2010
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Verzoeker tot cassatie is een gescheiden, alleenstaande man met een zoon en een dochter. Laatstgenoemde woont bij hem in. Hij heeft over zichzelf onder meer het volgende aangevoerd. Hij had een eigen bedrijf, maar is ziek geworden. Ten gevolge daarvan heeft hij de bedrijfsactiviteiten moeten staken en zijn zijn inkomsten sterk teruggelopen. Hij geniet nu een bijstandsuitkering. Hij is verder geestelijk zo in de war geraakt dat hij in een crisisopvang van een GGZ-instelling moest worden opgenomen. Hij is daar nog in steeds in behandeling.
1.2 Eind december 2009 heeft verzoeker tot cassatie bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Op dat moment bedroeg diens schuldenlast volgens opgave € 71.115,69. Van die schuldenlast maakt deel uit een schuld aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) ten bedrage van € 2.804,40. Deze schuld heeft betrekking op boetes wegens 19 verkeersovertredingen (te hard rijden) in de jaren 2008 en 2009. Twee boetes betreffen zogenaamde 'Strabis-boetes', de zeventien andere zogenaamde 'Mulder-boetes'.
Bij vonnis d.d. 22 februari 2010 wijst de rechtbank het verzoek af. Zij acht verzoeker tot cassatie niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB.
Het vonnis van de rechtbank wordt door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest d.d. 9 april 2010 bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof in rov. 2.3.1 onder meer:
"De door hem aangevoerde stressvolle situaties dan wel concentratieproblemen waarin hij ten tijde van het ontstaan van de schulden heeft verkeerd, zullen hebben bijgedragen tot minder alert optreden, maar deze omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat hem ter zake van het ontstaan van deze schulden geen verwijt kan worden gemaakt. Daarbij wordt tevens het grote aantal aan de schulden ten grondslag liggende overtredingen in aanmerking genomen. Niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de schulden van het CJIB te goeder trouw is geweest."
Verzoeker tot cassatie is van het arrest van het hof met een op 19 april 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift in cassatie gekomen.((1))
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Er worden in 2.2 t/m 2.8 van het cassatieverzoekschrift klachten geformuleerd met een beroep op hetgeen in § 7 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen 2008 is bepaald. Omtrent die richtlijnen dient vooraf opgemerkt te worden dat zij, zoals de benaming ook aangeeft, richtlijnen en geen wettelijke bepalingen vormen. Zij beogen wel de uniformiteit in de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de wettelijke schuldsaneringsregeling te bevorderen, maar laten niettemin de rechter vrij om iedere zaak te beslissen met inachtneming van de specifieke omstandigheden van die zaak.
2.2.1 De klacht die in 2.2. en 2.3 van het verzoekschrift ligt opgesloten, komt hierop neer dat het hof ten onrechte op het verzoek heeft beslist zonder een behandelverklaring als bedoeld in § 7, sub d, van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen 2008 te verlangen.
2.2.2 Deze klacht kan verzoeker tot cassatie niet baten. De genoemde behandelverklaring strekt ertoe om vast te stellen of in geval van een verzoeker met psycho-sociale problemen die problemen al enige tijd voor hem beheersbaar zijn. Is dat niet het geval dan is toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet aangewezen wegens het risico van het niet kunnen voldoen aan de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen en/of het opnieuw ontstaan van schulden. Het hof heeft zijn beslissing niet gebaseerd op de aanwezigheid van de psycho-sociale problemen bij verzoeker tot cassatie en het niet gebleken zijn dat die problemen voor hem beheersbaar zijn, maar op afwezigheid van goede trouw bij verzoeker tot cassatie bij het ontstaan van de schuld aan het CJIB. Bij dit laatste speelt de genoemde behandelverklaring geen rol.
2.3.1 Voor de klachten in 2.4 t/m 2.8 wordt als vertrekpunt aangehouden de passage in § 7 sub a van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen 2008 dat van goede trouw in beginsel onder meer geen sprake is in geval van (substantiële) geldboetes ter zake van Wet Mulder-feiten. In 2.4 t/m 2.8 wordt deze passage - vooral aanhakend bij de woorden 'in beginsel' - in die zin opgevat dat Wet Mulder-boetes, vooral als zij niet substantieel zijn, geen voldoende grond vormen, althans hoeven te vormen, om tot afwezigheid van goede trouw te concluderen. Het hof heeft dan ook ten onrechte geen kenbaar onderscheid gemaakt tussen de diverse, door verzoeker tot cassatie begane overtredingen, terwijl toch uit het in het geding gebrachte overzicht van overtredingen blijkt dat er sprake is van 17 Mulder-zaken en 2 Strabis-zaken.
2.3.2 Ook voor de hier aan de orde zijnde passage uit § 7, sub a, geldt dat die niet meer is dan een richtlijn en geheel onverlet laat dat de omstandigheden van het onderhavige geval uiteindelijk bepalen hoe de beslissing omtrent de goede trouw dient uit te vallen. Kenmerkend voor het onderhavige geval acht het hof het grote aantal overtredingen in een relatief korte periode. Er doet zich dus niet het geval voor van een enkele overtreding, die bovendien niet substantieel van aard is. Het hof wil wel aannemen dat de door verzoeker tot cassatie gestelde stressvolle situaties dan wel concentratieproblemen bij hem zullen hebben bijgedragen aan een minder alert optreden van hem, maar het hof acht daarmee toch niet aannemelijk gemaakt dat voor alle overtredingen (of het grootste deel daarvan) heeft te gelden, dat het begaan ervan aan verzoeker tot cassatie in het geheel niet is te verwijten en daarmee ook niet dat hij te goeder trouw is te achten ten aanzien van de tegenover het CJIB ontstane schuld. Dit is een oordeel van feitelijke aard, dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Er worden in 2.4 t/m 2.8 van het verzoekschrift niet zodanige, in cassatie voor juist te houden feiten en omstandigheden aangevoerd, dat de beoordeling van het hof voor onbegrijpelijk moet worden gehouden. Voor het aanwezig zijn bij verzoeker tot cassatie van een overmachtsituatie bij alle gemaakte verkeersovertredingen is te weinig gebleken.
3. Conclusie
Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1. Het cassatieverzoek is tijdig ingesteld. Doordat de cassatietermijn in een weekeinde verstreek, is deze verlengd tot maandag 19 april 2010.