ECLI:NL:PHR:2011:BO8461
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling thuishaven en heffingsrecht binnenvaartonderneming in belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende exploiteert een binnenscheepvaartonderneming met schepen die formeel in Duitsland zijn geregistreerd en onder Duitse vlag varen. De centrale vraag is waar de thuishaven van het schip ligt en welke staat het heffingsrecht over de winst uit de onderneming toekomt volgens het Nederlands-Duitse belastingverdrag.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de onderneming wordt geleid aan boord van het schip en dat de thuishaven op basis van feitelijke omstandigheden moet worden vastgesteld. Ondanks de formele registratie in Duitsland, heeft het schip de nauwste band met Nederland, omdat de kapiteins Nederlandse ingezetenen zijn en het schip hoofdzakelijk in het ARA-gebied vaart.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'thuishaven' niet strikt aan formele criteria is gebonden, maar een feitelijke beoordeling vereist. Ook de sociale zekerheidspositie van belanghebbende wordt bepaald aan de hand van het Rijnvarendenverdrag, waarbij Nederland als woonstaat en plaats van thuishaven geldt.
De klacht van belanghebbende dat het hof ten onrechte materiële omstandigheden in plaats van formele criteria hanteerde, wordt verworpen. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het oordeel dat Nederland het heffingsrecht toekomt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederland het heffingsrecht toekomt en verklaart het cassatieberoep ongegrond.