ECLI:NL:PHR:2011:BO9553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt draagkrachtberekening vader bij vaststelling kinderalimentatie
Deze zaak betreft een geschil over kinderalimentatie tussen de moeder en vader van twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van hun huwelijk is de vader verplicht tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder vordert een vaststelling van deze bijdrage, waarbij de draagkracht van de vader centraal staat.
In eerste aanleg stelde de rechtbank een bijdrage vast, die het hof in hoger beroep gedeeltelijk wijzigde. De vader stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof over zijn draagkracht, met name tegen het uitgangspunt dat voor 2009 geen rekening werd gehouden met een winstdeling en dat het maandinkomen werd vastgesteld op basis van een salarisspecificatie van december 2008.
De Hoge Raad bevestigt dat de feitenrechter grote vrijheid heeft bij de vaststelling van kinderalimentatie en dat diens oordelen in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Ook zijn de motiveringseisen beperkt; het hof hoefde niet alle berekeningen te vermelden maar wel voldoende inzicht te geven in zijn gedachtegang. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het ontbreken van gegevens over winstdeling in 2009 en de stellingen van partijen aanleiding gaven om uit te gaan van het loon van 2008 zonder winstdeling. Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht rekening hield met schulden van de vader bij de draagkrachtberekening en dat de klachten over de verdeling van de draagkracht over de kinderen onvoldoende feitelijke grondslag hebben.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.