ECLI:NL:PHR:2011:BO9567
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling faillissementsverklaring bij summierlijk bewijs van betalingsonmacht
In deze zaak heeft de rechtbank 's-Gravenhage verzoeker failliet verklaard omdat summierlijk bleek dat hij niet meer betaalde en een opeisbare vordering van verweerder openstond. Het hof bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep. Verzoeker stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.
Het cassatiemiddel bestond uit vier onderdelen, waaronder de klacht dat het hof zich uitsluitend op het oordeel van de curator had gebaseerd en dat het bewijsrecht niet correct was toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet alleen op het oordeel van de curator had gesteund, maar ook op schriftelijke bewijsstukken en dat het bewijsrecht in faillissementszaken summierlijk is, waardoor de rechter vrij is in zijn beoordeling.
Verder werd geoordeeld dat verweerder bevoegd was het faillissement aan te vragen, omdat hij een opeisbare vordering had en verzoeker in gebreke bleef met terugbetaling. Het hof had terecht geen misbruik van bevoegdheid vastgesteld. Ook de klacht dat het hof geen acht had geslagen op een fax die steunvorderingen introk, werd verworpen omdat deze te laat was ingediend en de overige opeisbare vorderingen voldoende waren.
De conclusie van de A-G was om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de faillissementsverklaring van verzoeker.