ECLI:NL:PHR:2011:BO9615
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontheffing moeder uit ouderlijk gezag wegens belangen minderjarige
Deze zaak betreft een verzoek tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag over haar zoon, geboren in 1994, die sinds 1998 onder toezicht staat en bij zijn grootmoeder woont. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ontheffing en benoeming van Bureau Jeugdzorg als voogd. De rechtbank wees dit verzoek toe, waarna de moeder hoger beroep instelde, dat door het hof werd bekrachtigd.
Het hof motiveerde zijn beslissing met het langdurige toezicht, het raadsrapport van 2008 en het ontbreken van uitzicht op terugkeer van de zoon naar de moeder. Het belang van de zoon bij continuïteit en stabiliteit werd zwaarder gewogen dan het belang van de moeder. De moeder stelde in cassatie dat het hof de zoon niet als belanghebbende had gehoord en onvoldoende rekening had gehouden met verklaringen van de grootmoeder en de zoon zelf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de minderjarige van 12 jaar of ouder terecht in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening schriftelijk kenbaar te maken, conform art. 809 Rv Pro. Verder is de waardering van verklaringen aan het hof voorbehouden en is de motivering voldoende. Klachten over verouderde informatie en de rechtmatigheid van ontheffing worden verworpen. Het cassatieberoep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de ontheffing uit het ouderlijk gezag blijft van kracht.