ECLI:NL:PHR:2011:BO9626
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontheffing ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem, waarin de moeder ontheven werd van het ouderlijk gezag over haar twee kinderen. De kinderen waren sinds 2007 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij pleeggezinnen. De rechtbank Almelo had eerder de ontheffing uitgesproken en het hof had deze beschikking bekrachtigd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de belangen van het kind voorop heeft gesteld, zoals vereist op grond van de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof heeft terecht geoordeeld dat de tijdelijke maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer toereikend zijn vanwege de ongeschiktheid van de moeder om haar opvoedingsplicht te vervullen.
De klachten van de ouders over het ontbreken van een deugdelijk onderzoek en de interpretatie van internationale verdragsbepalingen worden door de Hoge Raad verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag of onvoldoende onderbouwing. Ook het beroep op de Duitse nationaliteit van de kinderen en moeder faalt, omdat dit niet relevant is voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgens de Brusselse verordening II-bis.
De Hoge Raad concludeert dat de motivering van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat de klachten niet leiden tot cassatie. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder wordt bevestigd.