ECLI:NL:PHR:2011:BO9626

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01272
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:268 lid 2 sub a BWArt. 1:254 lid 1 BWArt. 3 IVRKArt. 20 IVRKArt. 8 Verordening Brussel II-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontheffing ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder

De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem, waarin de moeder ontheven werd van het ouderlijk gezag over haar twee kinderen. De kinderen waren sinds 2007 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij pleeggezinnen. De rechtbank Almelo had eerder de ontheffing uitgesproken en het hof had deze beschikking bekrachtigd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de belangen van het kind voorop heeft gesteld, zoals vereist op grond van de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof heeft terecht geoordeeld dat de tijdelijke maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer toereikend zijn vanwege de ongeschiktheid van de moeder om haar opvoedingsplicht te vervullen.

De klachten van de ouders over het ontbreken van een deugdelijk onderzoek en de interpretatie van internationale verdragsbepalingen worden door de Hoge Raad verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag of onvoldoende onderbouwing. Ook het beroep op de Duitse nationaliteit van de kinderen en moeder faalt, omdat dit niet relevant is voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgens de Brusselse verordening II-bis.

De Hoge Raad concludeert dat de motivering van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat de klachten niet leiden tot cassatie. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder wordt bevestigd.

Conclusie

10/01272
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 14 december 2010
CONCLUSIE inzake:
1. [Verzoekster 1],
2. [Verzoeker 2],
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
tegen:
Raad voor de Kinderbescherming,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Deze gezagszaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Uit de relatie van verzoekers tot cassatie (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn te [geboorteplaats], Duitsland, twee kinderen geboren: [de zoon] op [geboortedatum] 2005 en [de dochter] op [geboortedatum] 2007. Verzoekster tot cassatie sub 1 (hierna: de moeder) is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Verzoeker tot cassatie sub 2 (hierna: de vader) heeft de kinderen erkend. De kinderen staan sinds 25 juli 2007 ([de zoon]) respectievelijk sinds 3 augustus 2007 ([de dochter]) onder toezicht en zijn tevens uit huis geplaatst. De kinderen wonen bij (verschillende) pleegouders en worden door hen feitelijk verzorgd en opgevoed.
2. Op het verzoek van verweerster in cassatie (hierna: de Raad) heeft de rechtbank Almelo bij beschikking van 10 maart 2009 de moeder (op grond van art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro) ontheven van het ouderlijk gezag over de kinderen en de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel benoemd tot voogdes.
3. Op het hoger beroep van de ouders heeft het gerechtshof Arnhem bij beschikking van 22 december 2009 geoordeeld dat de gebleken feiten en omstandigheden aanleiding geven voor een gedwongen ontheffing van het gezag van de moeder op de grondslag van art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro, en heeft het de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
4. Bij ter griffie van de Hoge Raad op 22 maart 2010 ingekomen verzoekschrift zijn de ouders tijdig van de beschikking van het hof in cassatie gekomen. De Raad is in cassatie niet verschenen.
5. Het middel (uitgewerkt onder 7.1 t/m 7.9 van het verzoekschrift in cassatie) richt zich tegen de door het hof in rov. 4.4 t/m rov. 4.8 van zijn bestreden beschikking gegeven motivering.
5.1 Het onder 7.1 gestelde bevat geen klacht. De rechtsklacht onder 7.2 - inhoudende dat het hof op basis van onjuiste interpretatie van de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)(1) ten onrechte ervan is uitgegaan dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders in het geval de kinderen (meer dan een jaar en zes maanden, vgl. art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro) uit huis zijn geplaatst, de plaatsing van de kinderen in het pleeggezin voorop staat - mist feitelijke grondslag. Het hof heeft blijkens rov. 4.4 immers tot uitgangspunt genomen dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 IVRK, bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan.
Met de klacht onder 7.2 dat het hof in rov. 4.4 heeft miskend dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing maatregelen van tijdelijke aard zijn die primair zijn gericht op een terugkeer van de kinderen bij hun ouders, ziet het middel er verder aan voorbij dat het verzoek van Raad geen betrekking heeft op een verlenging van genoemde maatregelen maar op een ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de kinderen, in welk verband het hof blijkens rov. 4.6 en rov. 4.7 met juistheid heeft getoetst aan de criteria van art. 1:268 lid Pro 2 (sub a) BW. Bij zijn beoordeling heeft het hof in aanmerking genomen dat, kort gezegd, niet is gebleken dat inmiddels verbetering is gekomen in de situatie die destijds aanleiding gaf voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen, en dat de ouders bovendien feitelijk geen invulling geven aan het gezag en onvoldoende rekening houden met de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Op grond hiervan is het hof in rov. 4.7 tot het oordeel gekomen dat de maatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing door de ongeschiktheid van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende zijn om de bedreiging van de lichamelijke en geestelijke belangen van de kinderen af te wenden. Verder heeft het hof in rov. 4.7 geoordeeld dat het belang van de kinderen zich niet tegen ontheffing verzet aangezien zij een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt in hun pleeggezinnen, terugplaatsing niet aan de orde is en de ondertoezichtstelling geen doel meer heeft, en dat het derhalve in het belang is van de kinderen dat zij zich ongestoord kunnen hechten in de pleeggezinnen waarin zij wonen. Uit de opbouw van deze door het hof gegeven motivering kan, anders dan het middel betoogt, niet worden afgeleid dat het hof het karakter van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft miskend en het belang van continuering van de (huidige) opvoedingssituatie en van een ongestoorde hechting van de kinderen in het pleeggezin bij de beoordeling van het ontheffingsverzoek als vertrekpunt heeft genomen. Het op art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro gebaseerde oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.
5.2 De klacht onder 7.3 dat het hof in rov. 4.6 niet heeft kunnen aannemen dat, kort gezegd, de bedreiging als bedoeld in art. 1:268 lid 2 sub a jo Pro. art. 1:254 lid 1 BW Pro nog steeds bestaat, nu een (deugdelijk) onderzoek naar de situatie van de kinderen geheel heeft ontbroken, ziet (onder meer) voorbij aan het onderzoek van de Raad en de daarvan opgemaakte rapportage d.d. 28 januari 2009(2) waarnaar het hof verwijst, en mist derhalve feitelijke grondslag.
In de enkele verwijzing naar de klachten van de moeder over het functioneren van de gezinsvoogd (als opgenomen in twee door haar aan de rechtbank resp. het hof gezonden brieven(3)) kan geen (voldoende uitgewerkte) cassatieklacht worden gelezen, zodat het middel op dit punt niet voldoet aan de daaraan ex art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen.
5.3 De stellingen onder 7.4 kunnen evenmin tot cassatie leiden; zij bouwen tevergeefs voort op het onder 7.3 gestelde, missen feitelijke grondslag danwel berusten op feitelijke nova, en houden geen (voldoende uitgewerkte) klachten in. Een en ander geldt eveneens ten aanzien van de stellingen onder 7.5; het middel lijkt eraan voorbij te zien dat het hof in rov. 2.6 uitdrukkelijk heeft overwogen dat het acht zal slaan op de brief van de moeder (d.d. 2 december 2009).
5.4 Het onder 7.6 t/m 7.8 gestelde mist zelfstandige betekenis.
5.5 De rechtsklacht onder 7.9 dat het hof zich ten onrechte bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het door de Raad ingediende ontheffingsverzoek nu de moeder en de beide kinderen de Duitse nationaliteit hebben, berust, gelet op art. 8 verordening Pro Brussel II-bis(4), op de onjuiste rechtsopvatting dat de nationaliteit van het kind en/of van de ouder ten aanzien van wie de ontheffing van het gezag wordt gevraagd, van belang is voor de vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
7. De conclusie strekt mitsdien tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1990, 170 (nl).
2 Door de Raad gehecht aan haar inleidend verzoek tot ontheffing.
3 Het betreft, naar moet worden aangenomen, de brieven van de moeder d.d. 9 maart 2009 en 2 december 2009.
4 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338, p. 1-29).