ECLI:NL:PHR:2011:BO9841
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over doorbreking onderhoudsplicht biologische vader bij ontoereikende draagkracht wettige vader
In deze zaak staat de vraag centraal of naast de wettige vader ook de biologische vader een onderhoudsplicht heeft jegens minderjarige kinderen. De vrouw, slachtoffer van seksueel misbruik door de man, is moeder van twee kinderen die door een derde als wettige vader zijn erkend. De vrouw vordert kinderalimentatie van de biologische vader vanaf de datum waarop zij de ouderlijke woning ontvluchtte.
De rechtbank wees het verzoek af omdat de wettige vader in staat werd geacht in het levensonderhoud te voorzien. Het hof vernietigde dit oordeel deels, maar oordeelde dat geen feiten of omstandigheden aanwezig waren die de doorbreking van het wettelijke stelsel rechtvaardigen. De vrouw stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat het wettelijke stelsel van art. 1:394 BW Pro doorbroken kan worden indien de wettige vader niet in staat is te voorzien in het levensonderhoud of dit niet in rechte kan worden afgedwongen. In casu is niet weersproken dat de draagkracht van de wettige vader ontoereikend is, zodat het hof dit had moeten erkennen en de onderhoudsplicht van de biologische vader had moeten aannemen. Het incidenteel cassatieberoep van de man wordt verworpen. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De onderhoudsplicht van de biologische vader wordt aangenomen vanwege ontoereikende draagkracht van de wettige vader; zaak vernietigd en verwezen.