ECLI:NL:PHR:2011:BO9866
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 138 Sr op besloten erf bestemd voor openbare dienst
In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage verdachte veroordeeld wegens medeplegen van beschadiging van eigendom en het wederrechtelijk binnendringen op een besloten erf van een detentiecentrum. De verdachte stelde in cassatie diverse middelen aan de orde, waaronder dat artikel 138 Sr Pro niet van toepassing zou zijn op het terrein van een detentiecentrum dat bestemd is voor de openbare dienst.
De Hoge Raad oordeelt dat de woorden 'besloten lokaal' in artikel 138 Sr Pro niet mede een lokaal voor de openbare dienst omvatten, en dat ook het begrip 'besloten erf' in dit artikel niet zodanig moet worden uitgelegd. Het hof had vastgesteld dat het terrein een besloten erf betrof dat bestemd is voor de openbare dienst, en de Hoge Raad acht dit oordeel juist. Verder verwierp de Hoge Raad de klachten over vermeende partijdigheid van de politierechter en het hof, de motivering van het oordeel over het Nederlandse vreemdelingenbeleid, en het verzoek om een descente.
De Hoge Raad benadrukt dat het hof een eigen waardering van het bewijsmateriaal mag maken en niet gehouden is om nader te reageren op alle standpunten van de verdediging. De middelen van cassatie worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Deze uitspraak bevestigt de uitleg van artikel 138 Sr Pro en onderstreept de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de bewijswaardering en motivering van zijn oordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens wederrechtelijk binnendringen op een besloten erf bestemd voor de openbare dienst.