ECLI:NL:PHR:2011:BO9969

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01383
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring opzet zware mishandeling

Op 17 november 2008 heeft verdachte in Rotterdam het slachtoffer zonder aanleiding met een vuistslag op de kaak getroffen, wat resulteerde in een gebroken onderkaak en gebitsschade. Het hof verklaarde het feit bewezen en oordeelde dat verdachte opzet had, mede gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, haar moeder en medisch bewijs.

De verdediging voerde aan dat het opzet niet bewezen kon worden, onder meer omdat het slachtoffer in een sms-bericht sprak van een ongeluk. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opzet bewezen zou zijn, vooral omdat het hof niet duidelijk maakte welke bewijsmiddelen het steunde en de sms-verklaring van het slachtoffer negeerde.

De Hoge Raad constateerde ook dat het vonnis een ongeordende mengeling van redengevende en niet-redengevende feiten bevatte, wat niet voldoet aan de eisen van art. 359 lid 3 Sv Pro. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het opzet en de straf betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting, met verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring van opzet en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 10/01383
Mr. Vellinga
Zitting: 14 december 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 29 maart 2010 het vonnis van de Rechtbank Rotterdam, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en haar vordering tot schadevergoeding tot het gevorderde bedrag van € 600,00 toegewezen, en voor dat bedrag aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, en het vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, voor het overige bevestigd, met aanvulling van gronden.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01383, 10/01384 en 10/01726. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel houdt in dat voor wat betreft feit 7 uit de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan worden afgeleid, althans dat het Hof zijn oordeel te dier zake onvoldoende heeft gemotiveerd.
5. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 7 bewezenverklaard dat:
"hij op 17 november 2008 te Rotterdam aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een op twee plaatsen gebroken kaak en gebitsschade), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) op/tegen de kaak, te stompen;"
6. Het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt met betrekking tot het onder 7 bewezenverklaarde feit in:
"Feit 7.
Van het volgende wordt uitgegaan:
Op 17 november 2008 bevond aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) zich in het [A] op de [a-straat] te Rotterdam. Zij was in de keuken aan het koken en kletste wat met de verdachte. Gesproken werd over vechtsporten waarna aangeefster bij wijze van demonstratie een vechthouding aannam. Plotseling voelde zij dat de verdachte haar met zijn vuist een harde klap op de kaak gaf. Ze viel en voelde dat iemand haar opving. Zij voelde heel veel pijn in de rechterkant van haar gezicht en zag dat er bloed uit haar mond kwam. Ze zegt dat de verdachte naar haar toe kwam en ze hoorde hem zeggen 'Gaat het? Sorry, sorry, dat was niet de bedoeling'. [Slachtoffer] voelde dat haar ondertanden losstonden en dat zij haar kiezen niet op elkaar kreeg. Zij heeft toen haar ouders gebeld, die haar hebben opgehaald [voetnoot 7]. De volgende dag ging zij naar het ziekenhuis, waar werd vastgesteld dat haar rechteronderkaak op twee plaatsen gebroken was [voetnoot 8]. Tijdens haar verhoor als getuige op de terechtzitting d.d. 26 mei 2009 heeft [slachtoffer] in soortgelijke bewoordingen verklaard [voetnoot 9].
De moeder van [slachtoffer], [betrokkene 1], heeft tegenover de politie verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer] in shock verkeerde, dat haar neus scheef stond en zij hoorde haar zeggen dat haar kaak heel zeer deed. [Slachtoffer] huilde, hyperventileerde en trilde. [Betrokkene 1] heeft telefonisch contact gehad met verdachte, die haar heeft verteld dat [slachtoffer] hem had aangevallen en dat hij haar niet van zich afkreeg [voetnoot 10].
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in de keuken stond te koken, dat [slachtoffer] in een vechthouding tegenover hem kwam staan en dat [slachtoffer] toen ineens haar hand voor haar gezicht deed en in elkaar zakte [voetnoot 11]. Verdachte heeft geen verklaring voor de door [slachtoffer] opgelopen verwondingen kunnen of willen geven.
Voetnoot 7: Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 10 februari 2009, nr. 2008407248-1 (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer]).
Voetnoot 8: Een geschrift, zijnde een letselbeschrijving van de Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, betreffende [slachtoffer], opgesteld door L.C. Los, forensisch arts, d.d. 7 januari 2009.
Voetnoot 9: Verklaring van de getuige [slachtoffer] ter terechtzitting d.d. 26 mei 2009.
Voetnoot 10: Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 13 februari 2009, nr. 2008407248-5 (proces-verbaal van bevindingen).
Voetnoot 11: Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 11 februari 2009, nr. 2009049042-15 (proces-verbaal van verhoor verdachte).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling.
De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft geslagen. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, nu de verdachte geen enkel motief had, dat aan de getuigenverklaring van [betrokkene 1] geen bewijskracht mag worden toegekend daar het een de auditu verklaring betreft en dat, mocht al bewezen zijn dat de verdachte [slachtoffer] zou hebben geslagen, er geen sprake was van opzet om haar pijn te doen, zodat de verdachte zowel van het onder 7 primair als 7 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt als volgt.
De aangifte van [slachtoffer] is op wezenlijke onderdelen helder en consistent met de verklaring afgelegd door haar moeder en haar - een half jaar na dato - ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring. Deze verklaringen worden ondersteund door de inhoud van een letselverklaring. Hoewel de verklaring van [betrokkene 1] deels een de-audituverklaring betreft, afkomstig uit dezelfde bron - [slachtoffer] - is deze verklaring ook voor wat door haar zelf is waargenomen consistent met de verklaringen van [slachtoffer] en het geconstateerde letsel. De verklaring van [betrokkene 1] kan meewerken aan het bewijs.
Ten aanzien van het opzet van de verdachte wordt het volgende overwogen.
Gedurende een gesprek over vechtsporten heeft het slachtoffer bij wijze van voorbeeld een gevechtshouding aangenomen waarna zij door de verdachte zonder aanleiding met zijn vuist vol op haar kaak werd geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een volle vuistslag op de kaak ernstige verwondingen kan veroorzaken. De verdachte heeft, door te handelen als hierboven omschreven, op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, welke kans zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.
De verweren van de raadsman worden verworpen."
7. Het Hof heeft over het bewijs van het opzet overwogen:
"Bewijsoverweging ad feit 7 / verwerping van het verweer
De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de verdachte van het onder 7 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu van (voorwaardelijk) opzet geen sprake is. Hij voert daartoe onder meer aan dat aangeefster [slachtoffer] de klap - in een sms-bericht verzonden aan de verdachte op 20 november 2008 - als een ongeluk betitelt, een en ander zoals verwoord in de pleitnotities.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt. De verklaring van [slachtoffer], zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen en wordt door het hof geloofwaardig geacht. Het hof kent derhalve geen betekenis toe aan de passage in het betreffende sms-bericht. Het verweer wordt dan ook verworpen."
8. In de toelichting op het middel wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten onrechte overweegt dat de verklaring van aangeefster in eerste aanleg voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
9. Het Hof oordeelt dat aan de inhoud van het sms-bericht, waarin van een ongeluk wordt gesproken, geen betekenis toekomt omdat de verklaring van aangeefster ter terechtzitting in eerste aanleg voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Die steun is wel te vinden voor het door aangeefster opgelopen letsel, niet voor het feit dat het geen ongeluk zou zijn. De Rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs dat de verdachte tegen haar heeft gezegd "Gaat het ? Sorry, sorry, dat was niet de bedoeling". Die uitlating geeft eerder steun aan de inhoud van het sms-bericht dan dat deze daarmee in tegenspraak is. Op welke verklaringen het Hof het oog heeft is dus niet duidelijk. Het Hof heeft de bewezenverklaring van het opzet derhalve onvoldoende gemotiveerd.
10. Het middel slaagt.
11. Terzijde merk ik op dat het door het Hof bevestigde (promis-)vonnis ten aanzien van het bewijs van feit 7 een ongeordende mengeling van redengevende en niet redengevende feiten en omstandigheden bevat en als zodanig niet voldoet aan de eis dat het vonnis dient te bevatten de bewijsmiddelen houdende de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt (art. 359 lid 3 Sv Pro).
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 7 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG