Art. 6:162 BWArt. 6:175 lid 1 BWArt. 6:175 lid 2 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aansprakelijkheid eigenaar gevaarlijke stoffen voor brand door schending zorgplicht
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van Melchemie centraal, eigenaar van calciumhypochloriet opgeslagen bij CMI, die brand veroorzaakte in een loods met gevaarlijke stoffen. Na een inspectie door de Milieudienst Rijnmond (DCMR) in 1995 bleek dat CMI diverse veiligheidsvoorschriften had overtreden. Melchemie werd hiervan op de hoogte gesteld via een bezoekrapport.
Melchemie had de opslag van de stoffen uitbesteed aan CMI, een professionele bewaarder. De vraag was of Melchemie naast CMI aansprakelijk kon zijn op grond van een schending van een bijzondere zorgplicht onder art. 6:162 BWPro, ondanks dat de risicoaansprakelijkheid volgens art. 6:175 BWPro primair bij de bewaarder ligt.
De Hoge Raad bevestigde dat Melchemie als bedrijfsmatig gebruiker bekend was met de bijzondere gevaren van de oxiderende stof en dat zij, na kennis van de overtredingen door CMI, verplicht was zelf poolshoogte te nemen van de veiligheidssituatie en te beoordelen of maatregelen nodig waren. Het nalaten hiervan werd als onrechtmatig beschouwd en leidde tot aansprakelijkheid voor de door de brand veroorzaakte schade.
De uitspraak benadrukt dat publiek toezicht Melchemie niet ontslaat van haar private verantwoordelijkheid. De zorgplicht strekt zich uit tot het actief beoordelen van de situatie bij de bewaarder, zeker wanneer bekend is dat veiligheidsvoorschriften worden overtreden. De Hoge Raad nuanceert dat deze zorgplicht niet vereist dat Melchemie zelf alle voorschriften tot in detail kent, maar wel dat zij een redelijke mate van bekendheid heeft met de gevaren en de strekking van de voorschriften. De uitspraak bevat uitgebreide overwegingen over de toepassing van de Kelderluikcriteria, de rol van kennis en nalaten, en de samenloop van risicoaansprakelijkheid en onrechtmatige daad.
Uitkomst: Melchemie is aansprakelijk wegens schending van haar zorgplicht voor de brandschade veroorzaakt door de opslag van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
09/03594
mr. Keus
Zitting 7 januari 2011
Conclusie inzake:
Melchemie Holland B.V.
(hierna: Melchemie)
eiseres tot cassatie
tegen
1. Delbanco Meyer & Company Ltd.
2. Sphere Drake Insurance Ltd.
3. Intercargo Insurance Company
(hierna gezamenlijk: Delbanco c.s., en afzonderlijk: Delbanco, Sphere Drake en Intercargo)
verweersters in cassatie
Het gaat in deze zaak om een brand in een loods met gevaarlijke stoffen die schade aan goederen in een belendende loods heeft toegebracht. Aan de orde is de vraag of de eigenaar van de gevaarlijke stoffen wegens schending van een zorgplicht op grond van art. 6:162 BWPro naast de bewaarder op grond van art. 6:175 lid 2 BWPro aansprakelijk is.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft C.M.I. Containermasters (Nederland) B.V. (hierna: CMI) goederen van Melchemie voor haar in opslag gehouden.
1.2 Bij beschikking van 12 november 1993 heeft CMI van de gemeente Rotterdam een hinderwetvergunning verkregen met betrekking tot de inrichting aan de [a-straat 1,2 en 3] te Rotterdam, bestemd voor een op- en overslagbedrijf van koopmansgoederen en chemicaliën, waaronder gevaarlijke stoffen.
1.3 Bij brief van 13 juni 1995 heeft de Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) CMI onder meer als volgt bericht:
"Op 11 mei 1995 is uw inrichting aan de [a-straat 3] in Rotterdam bezocht door medewerkers van de DCMR Milieudienst Rijnmond. Hierbij is gecontroleerd op de naleving van de Wet milieubeheer en op de afvoer van afvalstoffen. De overtredingen die hierbij zijn geconstateerd zijn hieronder vermeld.
(...)
Niet naleven vergunningvoorschriften
Tijdens genoemd bezoek is geconstateerd dat:
- diverse slanghaspels en poederblussers niet terug te vinden waren en daarmee niet voor onmiddellijk gebruik beschikbaar waren (voorschriften 2.1, 2.2, 2.3, 2.4 en 2.6);
- een branddetectiesysteem is aangebracht, waarvan de goede werking niet is beproefd en dat niet aangesloten is op een automatische brandmeldinstallatie (voorschriften 2.7 en 2.8);
- loodsdeuren niet voorzien zijn van opschriften "Verboden te Bestuwen" (voorschriften 2.10 en 2.12);
- geen padbreedte van minimaal 2 meter achter de niet te bestuwen deuren wordt aangehouden (voorschrift 2.11);
- in de inrichting geen schuimvormend middel of schuimcontract aanwezig is (voorschrift 2.14);
- niet dagelijks een journaal voor de opslag van gevaarlijke stoffen wordt bijgehouden en op het journaal de locaties niet juist zijn aangegeven (voorschrift 2.15);
- in loods 39 brandbare vloeistoffen met een vlampunt < 55°C opgeslagen werd en in loods 27 behalve klasse 5.1 ook klasse 4.2 en 8 opgeslagen werd (voorschrift 3.2);
- op het open terrein onder de overkapping meer dan 100 ton brandbare vloeistoffen met een vlampunt < 55°C opgeslagen werden (voorschrift 3.4);
- gevaarlijke stoffen onder de overkapping niet in klampen met een klampoppervlakte van 50 m² en een klampafstand van 3 meter worden opgeslagen (voorschriften 3.6 en 3.7);
- geen afstand van 5 meter tussen de opslag van gevaarlijke stoffen en een tot de richting behorend gebouw wordt aangehouden (voorschrift 3.8);
- het open terrein onder de overkapping niet voorzien is van een vloeistofdichte vloer met opstaande randen (voorschrift 3.9);
- de bakconstructie voor bluswateropvang niet getest is (voorschrift 3.10);
- de vloer van loods 39 door de aanwezigheid van scheurtjes als niet vloeistofdicht beoordeeld kan worden en niet voorzien is van opstaande drempels (voorschrift 3.11);
- gevaarlijke stoffen in de loodsen 27 en 29 in grotere klampen dan 300 m² per klamp, zonder gangpaden van 3 meter en te hoog worden opgeslagen (voorschrift 3.12);
- in de inrichting pas na september 1995 deskundigheid op het gebied van gevaarlijke stoffen beschikbaar komt (voorschrift 3.21);
- loodchromaat in niet-gesloten verpakking in de inrichting aanwezig is (voorschriften 4.1 en 4.3);
- niet alle hulpmiddelen (adembescherming, laarzen, vatenpomp inclusief toebehoren en absorptiemiddelen) ter bestrijding van incidenten in de inrichting aanwezig zijn (voorschrift 5.1);
- een lekkage aan een vat met brandbare vloeistof(f)en niet afdoende verholpen is (een dergelijk vat moet ook nog in een overmaats vat geplaatst worden) (voorschrift 5.5);
- niet op alle in de vergunning aangegeven plaatsen een "Roken en Vuur" verbod is aangebracht (voorschrift 6.2);
- de bovengrondse gasolietank niet voorzien is van een ontluchtingsleiding en een vloeistofdichte omwalling (voorschriften 10.4 en 10.9);
- de afleverinstallatie niet is uitgevoerd overeenkomstig CPR 9-1 en geen afleverinstelling heeft (voorschriften 11.1 en 11.2).
U dient met onmiddellijke ingang voorschrift 2.15 en 5.5 na te leven.
U dient binnen één maand na dagtekening van deze brief de overige voorschriften na te leven.
(...)"
1.4 [Betrokkene 3], destijds directeur van CMI, heeft [betrokkene 1], destijds medewerker van Melchemie, ingelicht over de controle door DCMR, waarvan [betrokkene 1] blijkens een intern "bezoekrapport" van 20 juni 1995 vervolgens verslag aan [betrokkene 2], de toenmalige directeur van Melchemie, heeft gedaan. Het rapport vermeldt onder meer:
"Onlangs werd [betrokkene 3] bezocht door een (jonge ambitieuze) ambtenaar van de hinderwet. Deze maakte hem duidelijk dat de voorraad chloorproducten niet conform de bestaande hinderwetvergunning was opgeslagen. Bij eerdere controles was er nooit een probleem (men kneep weleens een oogje toe).
Nu echter dient CMI onverwijld de volgende aanpassingen te verrichten:
- pallets van 4 hoog naar 3 hoog brengen
- klampen maken van max. 300 m2
- paden tussen de klampen van min. 4 meter breedte.
Door deze aanpassingen zal het benodigde vloeroppervlak aanzienlijk toenemen wat helaas zal leiden tot een verhoging van de opslagkosten.
Op dit moment betalen wij Fl. 6,75 per ton per maand. Dit bedrag is al meer dan 10 jaar niet verhoogd, en is in vergelijk met ruimte elders nog steeds zéér laag.
De voorzieningen die nodig zijn voor opslag van gevaarlijke stoffen (CPR 15-2 richtlijn) zijn zodanig dat wij elders het drievoudige aan opslag betalen.
Als de aanpassingen zijn gemaakt zal hij ons de nieuwe prijs doorgeven.
Overigens is CMI in een vergevorderd stadium om naar een nieuw pand in de Botlek te verhuizen. De lokatie aan de Keijlestraat is dermate verouderd en verpauperd dat een verhuizing onontkoombaar is. Met deze verhuizing is een investering gemoeid van 7 miljoen. Het wachten is op toestemming van de bank. [Betrokkene 3] houdt ons van de ontwikkelingen op de hoogte."
Op dit bezoekrapport is door [betrokkene 2] de aantekening geplaatst: "vervolgens 2e inspectie Febr. '96!".
1.5 Op 28 februari 1996 is brand ontstaan in loods 29 van CMI. In loods 29 waren chemische stoffen, waaronder de stof calciumhypochloriet (die oxiderend(2) is en daarom een bijzonder gevaar oplevert in de zin van art. 6:175 BWPro), krachtens overeenkomst tussen CMI als bewaarder en Melchemie als eigenaar van de stoffen opgeslagen.
1.6 In de naast loods 29 gelegen loods 27 was een zending paardenhaar van Delbanco opgeslagen, die door de brand geheel verloren is gegaan. Sphere Drake en Intercargo hebben als verzekeraars van Delbanco op grond van de polis een bedrag van £ 500.000,- aan Delbanco uitgekeerd.
1.7 In loods 29 is een blauw vat met chemicaliën met een gewicht van 60 kg, dat in strijd met de veiligheidsvoorschriften door CMI nabij vaten met calciumhypochloriet was geplaatst, op vaten met calciumhypochloriet gevallen, waarbij calciumhypochloriet uit de verpakking is geraakt en met de chemicaliën uit het blauwe vat in aanraking is gekomen, als gevolg waarvan brand is ontstaan(3).
1.8 Tussen het moment waarop haar directeur kennisnam van het hiervóór (onder 1.4) genoemde bezoekrapport en de brand op 28 februari 1996 heeft Melchemie zich niet tot CMI gewend met de vraag of CMI de van overheidswege verlangde maatregelen had getroffen. Voorts heeft Melchemie in deze periode haar gebruik van de loodsen van CMI als opslagplaats voor haar chemische stoffen niet substantieel gewijzigd, met dien verstande dat op de dag van de brand in de loodsen 27 en 29 van CMI tussen 1.100 en 1.200 ton chemische stoffen van Melchemie lagen opgeslagen, waarvan het merendeel oxiderend was(4).
1.9 Bij exploot van 31 augustus 2006 hebben Delbanco c.s. Melchemie voor de rechtbank Arnhem gedagvaard. Zij hebben een verklaring voor recht dat Melchemie jegens hen aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het verlies van de zending paardenhaar, een verwijzing naar de schadestaatprocedure en een veroordeling van Melchemie in de proceskosten gevorderd.
1.10 Na een "akte ex art. 120 lid 4 RvPro" van Delbanco c.s. en conclusie van antwoord heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 januari 2007 een comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 16 april 2007 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 13 juni 2007 heeft de rechtbank de vorderingen van Delbanco c.s. afgewezen.
1.11 Bij exploot van 7 september 2007 (en een herstelexploot van 12 september 2007) zijn Delbanco c.s. in hoger beroep gekomen. Delbanco c.s. hebben zes grieven aangevoerd en hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen. Melchemie heeft verweer gevoerd.
1.12 Ter zitting van 18 maart 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, bij welke gelegenheid Delbanco c.s. bij akte nog een drietal producties in het geding hebben gebracht.
1.13 Bij arrest van 21 april 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat Melchemie jegens Delbanco c.s. aansprakelijk is voor de geleden schade welke is ontstaan door het verlies van de zending paardenhaar van Delbanco in de brand bij CMI op 28 februari 1996, en heeft Melchemie veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Delbanco c.s., nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 1996 tot aan de voldoening.
1.14 Bij exploot van 21 juli 2009 heeft Melchemie tijdig(5) cassatieberoep ingesteld. Delbanco c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten en vervolgens gere- en dupliceerd.
2. Inleiding
2.1 Niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar doet dat gedrag onrechtmatig zijn; zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden(6). De Hoge Raad heeft in het Kelderluikarrest(7) aangegeven welke factoren bij het in het leven roepen van gevaarzettende situaties in aanmerking dienen te worden genomen:
(i) de waarschijnlijkheid van onoplettend of onvoorzichtig gedrag van potentiële slachtoffers;
(ii) de kans dat daardoor ongevallen ontstaan;
(iii) de ernst van de gevolgen van die ongevallen;
(iv) de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen(8).
2.2 Het antwoord op de vraag of de laedens in een concreet geval meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was, is mede afhankelijk van de voorzienbaarheid van de schade en de kenbaarheid van het achterliggende gevaar. Van deelnemers aan het maatschappelijk verkeer kan redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij hun gedrag op geheel onbekende gevaren afstemmen. Als geen rekening zou worden gehouden met de (geobjectiveerde) kennis van de laedens, zouden aan de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid zodanig hoge eisen worden gesteld, dat men daaraan realiter niet meer zou kunnen voldoen(9). Van belang is de (geobjectiveerde) kennis van de laedens met betrekking tot:
a) het gevaar en de kans op verwezenlijking daarvan;
b) de schadelijke gevolgen van die verwezenlijking;
c) de belangen van potentiële gelaedeerden(10).
2.3 De eerste twee elementen betreffen de onrechtmatigheid, terwijl het derde element in de sfeer van de relativiteit ligt. Het tweede element vormt in de praktijk niet vaak een reële hindernis voor het aannemen van onrechtmatigheid. In de meeste gevallen is immers met de kennis van het gevaar en van de kans op verwezenlijking daarvan, ook de kennis van de schade gegeven. Echter, indien de laedens redelijkerwijs ervan heeft mogen uitgaan dat zijn gedrag, hoewel in abstracto gevaarlijk, in concreto niet tot schadelijke gevolgen zou leiden, is het bestaan van een toepasselijke zorgvuldigheidsnorm in die situatie voor hem niet aannemelijk, zodat zijn gedrag in die zin ook niet onzorgvuldig kan worden geacht(11).
2.4 Met betrekking tot de kennis van de laedens bedient de rechter zich van twee instrumenten, te weten dat van objectivering en dat van generalisering. Objectivering biedt de rechter de mogelijkheid de laedens aan een objectieve standaard te binden. Dankzij objectivering kunnen niet slechts de risico's die de laedens kende, maar ook de risico's die hij behoorde te kennen aan het onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag worden gelegd. In plaats van de subjectieve kennis van de laedens doet de rechter onderzoek naar de veronderstelde kennis van een gemiddelde, vergelijkbare persoon. Het kennisniveau van die fictieve persoon, meestal aangeduid als het objectieve vergelijkingstype of de maatman, vormt vervolgens de norm waaraan de laedens moet voldoen(12). In het geval de laedens over meer (subjectieve) kennis dan de maatman beschikt, wordt met deze bijzondere deskundigheid rekening gehouden(13).
2.5 Naast het instrument van objectivering beschikt de rechter bij de toepassing van de kenniseis over het instrument van generalisering. Indien de rechter vaststelt dat de laedens het risico zoals dat zich in het concrete geval heeft verwezenlijkt niet (in subjectieve zin) heeft gekend, ofwel (in een objectiverende benadering) oordeelt dat de laedens dat specifieke risico redelijkerwijs niet behoefde te kennen, kan hij ervoor kiezen genoegen te nemen met een meer algemene vorm van (al dan niet geobjectiveerde) kennis van de laedens. De onrechtmatigheid wordt dan gebaseerd op de gedachte dat de laedens in ieder geval globaal heeft begrepen of behoorde te begrijpen dat hij een risico nam. Reeds op basis van die globale kennis had de laedens zijn gedrag moeten aanpassen(14). Generalisering is tot op zekere hoogte nodig. Het onder alle omstandigheden vergen van een volstrekt specifieke vorm van kennis van de laedens zou immers ertoe leiden dat praktisch nooit aansprakelijkheid zou kunnen worden aangenomen(15).
2.6 De voorbeelden van generalisering die aan de jurisprudentie kunnen worden ontleend, hebben onder meer op een algemeen gevaar voor de gezondheid betrekking(16). Voor onrechtmatigheid is niet de voorzienbaarheid van de concrete causaliteit tot het ongeval of tot de schade vereist, noch van het concrete ongeval of de wijze waarop dat zich heeft verwezenlijkt(17). Voldoende is de voorzienbaarheid van een categorie van gevaren die naar ervaringsregels op een of andere wijze uit het betreffende gedrag zouden kunnen voortvloeien. Een voorbeeld is het Legionella-arrest: het was voldoende dat de laedens behoorde te weten dat een zekere veiligheidsnorm strekte tot bescherming tegen gezondheidsschade. Het gaat erom dat de laedens wist dat hij de doos van Pandora opende; bekendheid met de plagen die daaruit zouden kunnen ontsnappen, is niet nodig(18). In deze benadering heeft de voorzienbaarheid heeft slechts betrekking op het ontstaan van een zeker ongeval, niet op de exacte wijze waarop zich dat realiseert(19). Voldoende is dat met het nemen van bepaalde veiligheidsmaatregelen in het algemeen - naar objectieve maatstaven - bepaalde (gezondheids)gevaren worden voorkomen. Hierbij is niet van belang of men het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt concreet heeft voorzien(20).
2.7 Als een werkgever in gebreke is gebleven met het treffen van veiligheidsmaatregelen tegen gevaren die hem bekend waren of bekend behoorden te zijn, is hij ook aansprakelijk wanneer een hem niet bekend gevaar zich heeft verwezenlijkt. Vereist is dan wel dat het niet nemen van de maatregelen met het oog op de wel bekende gevaren de kans op verwezenlijking van het onbekende gevaar aanmerkelijk heeft verhoogd(21). Wie tekortschiet in zijn verplichting tot het nemen van veiligheidsmaatregelen ter vermijding van hem bekende gevaren, is in beginsel ook aansprakelijk indien het gevaar zich verwezenlijkt op een wijze of met gevolgen die hij niet kende, mits de verwezenlijking van dat gevaar zou zijn voorkomen door de veiligheidsmaatregelen die ten aanzien van de bekende risico's hadden behoren te worden getroffen(22). De Hoge Raad heeft in de zaak Enschede benadrukt dat voorwaarde voor toepassing van die regel is dat de aangesproken partij zijn plicht veiligheidsmaatregelen te nemen ter vermijding van de hem bekende gevaren, heeft geschonden(23).
2.8 Generalisering vindt vooral toepassing met betrekking tot de kennis van de schadelijke gevolgen van de verwezenlijking van het gevaar. In dat verband heeft de Hoge Raad in het arrest over psychiatrische kliniek 't Ruige Veld voor een vergaande vorm van generalisering gekozen. Ter discussie stond of brandstichting door een uit de kliniek ontsnapte patiënte voor de kliniek voorzienbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat niet nodig is dat bekend was of ermee rekening moest worden gehouden dat een specifiek gevaar voor brandstichting bestond. Het is voldoende dat gevaar voor weglopen bestond waardoor er verhoogd gevaar voor derden ontstond. Het is dan onverschillig of al dan niet viel te verwachten tot welk soort schade wederom weglopen van betrokkene zou leiden(24).
2.9 Bij gevaarzetting gaat het veelal om actief handelen van degene die door zijn gevaarzettende optreden schade heeft veroorzaakt. Maar ook een niet-ingrijpen kan schadelijke gevolgen hebben. Gemeenschappelijk aan gevallen van nalaten is dat het niet gaat om de vraag in hoeverre men voor onvoorzichtige actieve gedragingen of zelf gecreëerde gevaarlijke situaties verantwoordelijk kan worden gesteld, maar om de vraag onder welke omstandigheden actief ingrijpen is vereist en nalaten als onrechtmatig wordt aangemerkt. Indien de vraag wordt beperkt tot zuiver nalaten, geldt dat van een rechtsplicht om een gevaarlijke situatie op te heffen of daarvoor te waarschuwen slechts sprake kan zijn, wanneer de ernst van het gevaar tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen. Van een rechtsplicht om een waargenomen gevaarlijke situatie voor het ontstaan waarvan men niet verantwoordelijk is, op te heffen of anderen daarvoor te waarschuwen, kan in het algemeen slechts sprake zijn, wanneer de ernst van het gevaar tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen, zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid zoals uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de betrokken situatie zich voordoet, kunnen voortvloeien(25). De volgende voorwaarden voor aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten zijn te geven:
- concrete kennis van een gevaarlijke situatie;
- dreiging van ernstige schade;
- de mogelijkheid en de noodzaak om daadwerkelijk iets te doen (waarschuwen of helpen);
- reële verhouding tussen moeite en kosten en het gevaar.
In deze voorwaarden herkent men - in meer toegespitste vorm - de Kelderluikcriteria. Verschil is dat in gevallen van zuiver nalaten de voorwaarden stringenter lijken te zijn, met name ten aanzien van het vereiste van de bewustheid van het gevaar(26). Aangenomen wordt dat zuiver nalaten eerst onrechtmatig is, indien vaststaat dat van concrete kennis van de waarnemer omtrent het bestaande gevaar sprake was(27).
2.10 Voor waarnemers op wie een bijzondere zorgplicht rust, geldt de terughoudendheid bij het aannemen van onrechtmatigheid niet of althans in mindere mate. Dergelijke waarnemers kunnen dus ook buiten het geval dat zij zich daadwerkelijk van het bestaande gevaar bewust zijn geweest, wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm aansprakelijk worden gehouden, indien dat gevaar voor hen kenbaar was(28). Volgens de Hoge Raad kan het bestaan van de hier bedoelde zorgplichten (onder meer) voortvloeien uit een bijzondere relatie van de waarnemer met het slachtoffer of een bijzondere relatie van de waarnemer met de plaats waar het gevaar zich voordoet(29). Giesen noemt ook de bijzondere relatie van de waarnemer met een roerende zaak die op enigerlei wijze verband houdt met het gevaar(30). In dat verband kan worden gewezen op het Haringkar-arrest waarin aansprakelijkheid werd aangenomen van een automobilist wiens auto tijdelijk onbeheerd, met de sleutel in het contact, was achtergelaten en vervolgens was meegenomen door een derde die daarmee een ongeval had veroorzaakt(31).
2.11 In dit kader kan tevens worden gewezen op degene die zorg en verantwoordelijkheid heeft voor een terrein (of openbare weg of leidingen) en op wie een specifieke zorgplicht ten opzichte van mogelijke gebruikers rust. De gevergde mate van zorg is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval. Zo zal van belang zijn of de terreinbeheerder zelf de gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen of kennis had van die situatie. Is dat het geval, dan zal van een verhoogde zorgplicht sprake zijn, waarbij de bekende Kelderluikcriteria weer een rol zullen spelen. Ook als de terreinbeheerder niet op de hoogte is van de gevaarlijke situatie, zal zijn zorgplicht meebrengen dat hij het nodige onderzoek verricht, uiteraard binnen redelijke grenzen en kosten(32).
2.12 Volgens Tjong Tjin Tai kunnen drie categorieën van nalaten worden onderscheiden.
De eerste categorie betreft een verplichting tot handelen die berust op een eerder doen. De laedens is iets begonnen wat hij niet goed heeft afgemaakt. Het gaat bij een dergelijk nalaten dat verbonden is aan een doen eenvoudigweg om wat van oudsher zorgvuldigheid wordt genoemd. Handelingen dient men behoorlijk te verrichten of niet. Deze categorie van nalaten wordt in het Franse recht passend aangeduid als nalaten in het doen (l'omission dans l'action). Men moet deze gevallen strikt onderscheiden van gevallen waarin de omissie niet met een eerdere daad samenhangt.
Een tweede categorie van verplichtingen tot een doen betreft gevallen waarin de verantwoordelijkheid zich niet op de eigen daden richt, maar op een zeker object of persoon waarvoor men zorgdraagt. Veel van deze plichten zijn tegenwoordig in risicoaansprakelijkheden neergelegd: van oudsher betrof het echter een plicht om te zorgen dat de in het object besloten innerlijke energie geen schade aan derden toebracht. Deze verantwoordelijkheid is vanuit de zeggenschap te beredeneren: het is de "opzichter" die zich in de beste positie bevindt om schade te voorkomen. Aan deze zorg is moeilijker invulling te geven dan bij de eerste categorie: de laedens is immers niet noodzakelijk steeds daadwerkelijk in de gelegenheid schade te voorkomen. Niet hijzelf, maar het object van zijn zorg brengt de schade immers toe. De "opzichter" zou de schade hooguit kunnen voorkomen. Bij deze categorie is de grondslag van de plicht niet in een direct voorafgaand doen gelegen. Men is aansprakelijk, ook al was men op het moment niet zelf in de buurt van het object en ook niet met de gedachten daarbij.
De derde categorie wordt gevormd door de gevallen die men aanduidt als "zuiver nalaten". Het betreft gevallen waarin van een nalaten dat samenhangt met een eerder doen of met zorg voor een object geen sprake is. In een dergelijk geval is er geen zeggenschap over de relevante oorzaak van de schade. De reden om een plicht tot handelen op te leggen kan in zulke situaties uitsluitend zijn gelegen in het nadeel aan de belangen van de gelaedeerde dat onder de concrete omstandigheden dreigt(33).
2.13 Bij de eerste categorie nalaten gaat het in wezen om een doen. Van iemand die een activiteit onderneemt, mag men verwachten dat hij in staat is die activiteit zorgvuldig uit te voeren, of anders daarvan afziet. Daar is een objectieve toets van de kennis en vaardigheden van de laedens op zijn plaats.
Bij een zuiver nalaten daarentegen is de oorzaak van de schade buiten het individu gelegen en gaat het alleen erom of betrokkene kon helpen de schade te voorkomen, maar dat ten onrechte heeft nagelaten. Als betrokkene niet daadwerkelijk beschikte over de vaardigheden of de kennis die voor het voorkomen van de schade nodig waren, kon hij niets doen. Zo men wil, zou men een objectieve maatstaf kunnen aanleggen en de aansprakelijkheid op grond van het ontbreken van causaliteit kunnen afwijzen. Deze oplossing acht Tjong Tjin Tai echter onwenselijk, omdat zij tot gevolg heeft dat men moet constateren dat kinderen en invaliden mogelijk op grote schaal onrechtmatig handelen, ook al zou ieder normaal mens oordelen dat zij niets fout doen. Zuiverder is het om te oordelen dat geen verplichting tot een doen is geschonden. Om dezelfde reden acht hij het ongewenst de afwezigheid van een daadwerkelijke mogelijkheid om te handelen als een rechtvaardigingsgrond voor het nalaten te construeren(34). Jansen, die in dit verband overigens een zekere mate van objectivering voor mogelijk houdt(35), wijst erop dat (ook) voor generalisering bij zuiver nalaten minder plaats is(36).
Voor de tweede categorie gevallen is nog niet uitgemaakt welke toets moet worden aangelegd. Gelet op de grondslag van de aansprakelijkheid (de zeggenschap, de band met het object), ligt het volgens Tjong Tjin Tai voor de hand ook hier een objectieve toets aan te nemen(37).
2.14 Uit het voorgaande volgt dat een zuiver nalaten milder wordt beoordeeld dan een actieve gevaarzetting. Objectivering en generalisering van kennis omtrent het gevaar en de kans op verwezenlijking zijn bij actieve gevaarzetting in verdergaande mate dan bij zuiver nalaten toegestaan.
2.15 Ten slotte nog een opmerking over art. 6:175 BWPro. Dit artikel voorziet in een kwalitatieve (risico)aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen. De persoon op wie deze aansprakelijkheid rust is in beginsel degene die de stof in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gebruikt of onder zich heeft (art. 6:175 lid 1 BWPro). Indien de stof zich bevindt onder een professionele bewaarder, rust de aansprakelijkheid op deze laatste (art. 6:175 lid 2 BWPro). De wetgever heeft hiermee gekozen voor een systeem van kanalisatie en segmentatie van deze risicoaansprakelijkheid. Zulks geldt slechts voor de risicoaansprakelijkheden onderling(38). Een eventuele samenloop van art. 6:175 BWPro met het algemene art. 6:162 BWPro is door de wetgever bewust niet uitgesloten. De aanvullende werking van art. 6:162 BWPro werd noodzakelijk geacht om te voorkomen dat een bedrijf zich ongestraft zou kunnen ontdoen van een gevaarlijke of verontreinigende stof en de daaraan verbonden risico's, door deze aan een andere, wellicht minder solvabele partij over te dragen. In een dergelijk geval van bewust onrechtmatig handelen staat dus de weg van art. 6:162 BWPro open(39). In de memorie van toelichting werd voorts opgemerkt:
"Ook overigens sluit het onderhavige ontwerp samenloop met vorderingen uit onrechtmatige daad tegen degenen op wie een risicoaansprakelijkheid rust, onderscheidenlijk jegens derden niet uit. (...)"(40)
En:
"4. Tenslotte verdient in dit verband nog het volgende opmerking. De onder 3 bedoelde publiekrechtelijke voorschriften, gegrond op de wet of als voorwaarde aan vergunning verbonden, zullen tevens een rechtstreeks invloed hebben op de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, in het nieuwe B.W. neergelegd in art. 6.3.1.1. Zoals hiervoor onder B sub 3 al aangestipt zal overtreding van dergelijke voorschriften immers in beginsel een onrechtmatige daad opleveren en, zo schade optreedt, zullen daarmee in de regel ook schuld en causaal verband gegeven zijn. Dit brengt mee dat naar mate deze voorschriften concreter zijn en hogere eisen ter voorkoming van schade stellen, gemakkelijker een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zal kunnen worden aangenomen en de behoefte aan een risicoaansprakelijkheid zal afnemen.
Uitgaande van dit gezichtspunt kunnen zowel de reeds in afdeling 6.3.2 opgenomen als de thans voorgestelde risicoaansprakelijkheden, voor wat betreft de verontreiniging van lucht, water en bodem, worden gezien als een aanvulling op wat al uit artikel 6.3.1.1 in verbinding met de voormelde voorschriften voortvloeit. Dit ondersteunt de conclusie dat, zoals hiervoor onder I sub 2 reeds aan de orde kwam, aan een volledige risicoaansprakelijkheid, in de zin van een aansprakelijkheid ter zake van elke aantasting van lucht, water of bodem, geen behoefte bestaat, doch dat het veeleer gaat om het aanbrengen van een sluitstuk in samenhang met wat de bestaande en toekomstige milieuwetgeving in haar geheel al voor de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht zal meebrengen." (41)
In de memorie van antwoord wordt nog opgemerkt:
"De tweede "doorbreking" ziet Van Maanen hierin, dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van anderen dan op wie de voormelde risicoaansprakelijkheden rusten, door de nieuwe regeling niet wordt aangetast, zoals ook trouwens die regeling niet de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad aantast van de krachtens het ontwerp aansprakelijke personen zelf. Een dergelijke uitsluiting is, voor wat een beperkte kring van personen, in het ontwerp opgenomen in de regelingen, die worden voorgesteld voor Boek 8, zulks naar aanleiding van het CRTD-verdrag; zie de memorie van toelichting, p. 24-26 onder 4. De in die passage uitvoerig beschreven situatie doet zich echter bij de voor Boek 6 voorgestelde bepalingen niet of niet in dezelfde mate voor. Er is dan ook geen reden om hier degenen die zich onzorgvuldig hebben gedragen van hun aansprakelijkheid naar het gemene recht te ontheffen, nog afgezien van de onwenselijke gevolgen die een dergelijke ontheffing uit een oogpunt van preventie van milieuschade zou kunnen hebben." (42)
De risicoaansprakelijkheid van art. 6:175 BWPro sluit een vordering uit hoofde van art. 6:162 BWPro derhalve niet uit.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 Melchemie heeft één middel van cassatie voorgesteld dat meerdere onderdelen omvat. Het middel richt zich tegen de rov. 4.14-4.24 en rov. 4.26 waarin het hof heeft geoordeeld:
"4.14 Bij de beantwoording van de vraag of Melchemie onrechtmatig in de zin van het bepaalde in artikel 6:162 BWPro jegens Delbanco c.s. heeft gehandeld, wordt de reikwijdte van de zorgplicht van Melchemie als eigenaar van de aan CMI in opslag gegeven oxyderende stof echter niet uitsluitend bepaald door het feit dat Melchemie CMI als bewaarder had ingeschakeld. Bij het bepalen van die reikwijdte komt in dit geval mede betekenis toe aan twee andere aspecten.
4.15 Het eerste aspect heeft betrekking op de kennis van de eigenschappen van de oxyderende stof die Melchemie had of mag worden geacht te hebben gehad op of omstreeks 20 juni 1995. Melchemie gebruikte de bij CMI opgeslagen oxyderende stof calciumhypochloriet in de uitoefening van haar bedrijf. Daarmee mocht van haar worden verlangd dat zij op zichzelf bekend was met de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar. Melchemie voert aan dat zij niet bekend was en niet bekend hoefde te zijn met de specifieke voorschriften voor de opslag van de stof. Tussen partijen is niet in geschil dat desbetreffende voorschriften onder andere waren vervat in het advies van 30 september 1991 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen inzake de "opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden", kortheidshalve aangeduid als de CPR 15-2 Richtlijn. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de CPR 15-2 Richtlijn strekte ter preventie van rampen door gevaarlijke stoffen. Blijkens het onder 4.11 weergegeven bezoekrapport was die richtlijn binnen Melchemie bekend. Het hof acht niet doorslaggevend hoe specifiek Melchemie in dit geval bekend was of moest zijn met de voorschriften voor opslag van de oxyderende stof. Het gaat er om dat Melchemie als bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof, mede gezien haar bekendheid met de CPR 15-2 Richtlijn, heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof er mede toe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken.
4.16 Evenmin acht het hof doorslaggevend of Melchemie bekend was met de inhoud van de Hinderwetvergunning van CMI, hetgeen Melchemie betwist (conclusie van antwoord onder 8). Tussen partijen is niet in geschil dat Melchemie wist dat CMI een Hinderwetvergunning nodig had voor de opslag van de oxyderende stof. Op de onder 4.15 vermelde gronden neemt het hof aan dat Melchemie ook mag worden geacht te hebben geweten dat aan die vergunning verbonden voorschriften er mede toe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken.
4.17 Tot slot acht het hof niet doorslaggevend of Melchemie, zoals zij stelt (memorie van antwoord onder 3.10), CMI altijd van afdoende productinformatie en dergelijke heeft voorzien. Ook indien dat juist is, volgt daaruit niet dat Melchemie als eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof niet mag worden geacht te hebben geweten dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof er mede toe strekken de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken.
4.18 Het tweede aspect betreft het volgende. Melchemie is tussen 11 mei 1995, het moment waarop CMI is bezocht door medewerkers van DCMR (zoals is vermeld in de brief van 13 juni 1995 van DCMR aan CMI over het niet naleven van de voorschriften van de Hinderwetvergunning, productie 9 van Delbanco c.s.) en 20 juni 1995, de datum van het hiervoor onder 4.11 weergegeven bezoekrapport, blijkens dit bezoekrapport door CMI geattendeerd op het feit dat DCMR had geconstateerd dat de oxyderende stof niet conform de voorschriften van de Hinderwetvergunning was opgeslagen. Blijkens de aanpassingen die [betrokkene 1] in het bezoekrapport aan de directeur van Melchemie heeft genoemd als door CMI onverwijld te verrichten aanpassingen, ging het om voorschriften die mede ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof zich zouden verwezenlijken.
4.19 Het hof volgt Melchemie niet in haar stellingen (memorie van antwoord onder 6.3) dat Melchemie uit de inhoud of de toon van het bezoekrapport (een 'jonge ambitieuze' ambtenaar, 'men kneep weleens een oogje toe') heeft mogen begrijpen dat het niet zo'n vaart zou lopen en Melchemie midden jaren negentig nog niet hoefde te beseffen dat sprake was van een serieus te nemen probleem. Melchemie heeft zich blijkens de door haar bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde producties 3 tot en met 7 begin 1992 bemoeid met een aantal door haar bij CMI geconstateerde ernstige tekortkomingen, waaronder het niet separaat opslaan van calciumhypochloriet en isocyanuraten, door Melchemie aangeduid als 'in strijd met onze voorschriften' dat 'een groot risiko voor explosies in de hand werkt'. Een andere door Melchemie toen geconstateerde tekortkoming betrof 'Het dermate hoog opstapelen van goederen, zodat schade aan onze verpakkingen is toegebracht'. Melchemie heeft CMI toen verzocht haar per omgaande mee te delen welke maatregelen CMI dacht te treffen 'om genoemde gebreken met onmiddellijke ingang te voorkomen'.
4.20 Blijkens het bezoekrapport van 20 juni 1995 was ook in 1995 onder andere sprake van te hoog opstapelen. Melchemie was er blijkens haar bemoeienissen van begin 1992 mee bekend dat het risico van te hoog opstapelen was dat er schade werd toegebracht aan een verpakking waarin calciumhypochloriet werd bewaard. Het behoeft geen betoog dat dergelijke schade het risico vergroot dat calciumhypochloriet uit de verpakking raakt en een bijzonder gevaar van ernstige aard verbonden aan de oxyderende stof, waaronder brand- en explosiegevaar, zich verwezenlijkt.
4.21 Melchemie heeft onvoldoende toegelicht waarom zij in 1992 wel in actie kwam toen zij ontdekte dat CMI de veiligheidsvoorschriften onvoldoende naleefde, maar dat in 1995 niet hoefde te doen. Het enkele feit dat de tekortkomingen in 1995 niet door haarzelf waren geconstateerd, maar door DCMR, volstaat daartoe niet. Ook indien juist is dat [betrokkene 3] van CMI de door DCMR geconstateerde overtredingen niet als een serieus probleem aan [betrokkene 1] van Melchemie heeft gepresenteerd, had [betrokkene 2], toen hij als directeur van Melchemie kennisnam van het bezoekrapport, zich behoren te realiseren dat Melchemie, als bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof die de risico's van de oxyderende eigenschappen geacht werd te kennen, zelf poolshoogte dienen te nemen bij CMI om de veiligheidssituatie in ogenschouw te kunnen nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had. Dat is niet anders doordat uit het bezoekrapport blijkt dat de opslagomstandigheden in de toekomst door een verhuizing zouden verbeteren, omdat het erom gaat dat Melchemie na kennisneming van het bezoekrapport zich uit eigen waarneming op de hoogte had dienen te stellen van de veiligheidssituatie op dat moment. Uit het voorgaande volgt tegelijk dat niet volstond dat [betrokkene 1], naar Melchemie stelt, er bij [betrokkene 3] op heeft gehamerd dat CMI de regels diende na te leven (conclusie van antwoord onder 11).
4.22 Evenmin is als toelichting voldoende dat Melchemie op het bezoekrapport heeft genoteerd dat in februari 1996 een tweede inspectie zou plaatsvinden, naar Melchemie stelt door DCMR. Ook indien juist zou zijn dat DCMR CMI tot februari 1996 de tijd heeft gegeven om aan de voorschriften van de Hinderwetvergunning te voldoen, hetgeen overigens haaks staat op de korte termijnen in de eerdergenoemde brief van 13 juni 1995 van DCMR aan CMI, laat dat onverlet dat Melchemie zich als eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof in de tussentijd met CMI diende te verstaan over de door DCMR geconstateerde tekortkomingen. Publiek toezicht ontslaat Melchemie immers niet van haar private verantwoordelijkheid op dit punt.
4.23 Melchemie stelt niet dat het bezwaarlijk voor haar was om, na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995, ook zelf een inschatting te maken van de veiligheidsrisico's in de loodsen waarin haar stoffen waren opgeslagen en te bezien of zij maatregelen moest nemen (door bijvoorbeeld bij CMI opgeslagen hoeveelheden stoffen elders op te slaan, en/of geen nieuwe hoeveelheden ter opslag aan CMI aan te bieden). Overigens ligt het niet voor de hand dat van Melchemie niet kon worden verlangd de loodsen van CMI te bezoeken, voor het geval Melchemie het tegendeel mocht betogen (memorie van antwoord onder 7.2). Melchemie heeft de loodsen van CMI in de jaren voor de brand herhaaldelijk bezocht, bijvoorbeeld voor voorraadcontroles.
4.24 Het hof concludeert op grond van hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.23 is overwogen, dat van Melchemie mocht worden verlangd dat zij zich na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995 op de hoogte stelde van de veiligheidssituatie in de loodsen van CMI waarin haar oxyderende stoffen waren opgeslagen. Nu dat achterwege is gebleven, heeft zij gehandeld in strijd met de zorgplicht die in ieder geval op haar kwam te rusten met de kennisneming van het bezoekrapport van 20 juni 1995. Hiermee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens Delbanco. Melchemie heeft niet bestreden dat zij dan, zoals Delbanco c.s. kennelijk stellen (dagvaarding in eerste aanleg onder 15, memorie van grieven onder 2.2), tevens onrechtmatig heeft gehandeld jegens Sphere Drake en Intercargo, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Grief III slaagt. De grieven I, IV en V behoeven geen verdere bespreking.
(...)
4.26 Melchemie voert aan dat zij niet heeft gezien en niet hoefde te weten dat in februari 1996 ten onrechte chemicaliën naast elkaar waren geplaatst die elkaar niet verdroegen. Zij verbindt daaraan de conclusie dat zij de brand hoe dan ook niet had kunnen voorkomen. Dit verweer gaat niet op. De schending van haar zorgplicht bestaat er immers juist in dat Melchemie, wetende dat DCMR overtredingen van de Hinderwetvergunning had geconstateerd in de loodsen waarin haar oxyderende stoffen waren opgeslagen, en wetend of behorend te weten dat de desbetreffende voorschriften er mede toe strekten de kans op onder andere brand te beperken, tot aan de brand onvoldoende heeft gedaan om het risico tegen te gaan dat CMI situaties bij de opslag liet bestaan zoals de situatie waardoor de brand heeft kunnen ontstaan. Het enkele feit dat zij er niet bij was toen een blauw vat met chemicaliën op een vat calciumhypochloriet viel en die chemicaliën met calciumhypochloriet in aanraking kwamen, volstaat dan niet om het causaal verband tussen die schending van haar zorgplicht en het ontstaan van de brand met succes te betwisten."
3.2 Het middel klaagt in onderdeel 1 dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te overwegen als hiervoor is weergegeven, en in het bijzonder door te oordelen dat (i) de omstandigheid dat Melchemie, als bedrijfsmatige gebruiker van de oxiderende stof, heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof, zowel de voorschriften vervat in de CPR 15-2 Richtlijn, als die opgenomen in de hinderwetvergunning, ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken (rov. 4.15-4.17), in combinatie met (ii) het feit dat Melchemie blijkens het bezoekrapport van 20 juni 1995 was "geattendeerd" op het feit dat DCMR had geconstateerd dat de oxiderende stof niet conform de voorschriften van de hinderwetvergunning was opgeslagen (welke overtreden voorschriften mede ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, zich zouden verwezenlijken) (rov. 4.18), (reeds) meebracht dat op Melchemie, als eigenaar en bedrijfsmatige gebruiker van de stof, de (bijzondere) zorgplicht rustte, inhoudende dat zij zelf bij CMI poolshoogte diende te nemen om de veiligheidssituatie in ogenschouw te nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had (rov. 4.21).
Volgens het onderdeel gaat de verantwoordelijkheid van de eigenaar, tevens bedrijfsmatig gebruiker, van een gevaarlijke stof (in de zin van art. 6:175 lid 1 BWPro), die deze stof (nu juist) in de macht van een (bedrijfsmatig) bewaarder (als bedoeld in art. 6:175 lid 2 BWPro) heeft gebracht om deze stof voor hem, de eigenaar, te bewaren en die aldus niet zelf een gevaarlijke (opslag)situatie in het leven geroepen heeft, immers niet zover, dat hij (zelf) gehouden is om, op straffe van aansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BWPro, maatregelen te nemen, indien hem bekend is, althans medegedeeld wordt, dat door de bewaarder voorschriften zijn overtreden, die, naar hij weet of moet begrijpen, ertoe strekken de kans te beperken dat een bijzonder gevaar van ernstige aard zich verwezenlijkt, óók indien niet vaststaat dat hij, als eigenaar (tevens bedrijfsmatig gebruiker) (specifiek) op de hoogte was, althans moest zijn van (de inhoud van) de in concreto overtreden (opslag)voorschriften, en evenmin vaststaat dat het gevaar zoals zich dat in feite heeft verwezenlijkt, juist door de overtreding(en) die hem is (zijn) bekend geworden, althans medegedeeld, is ontstaan.
De omstandigheid dat, naar het hof heeft vastgesteld, Melchemie zich begin 1992 heeft bemoeid met een aantal door haar bij CMI geconstateerde, ernstige tekortkomingen, waaronder het dermate hoog opstapelen dat schade aan de verpakkingen was toegebracht, zulks terwijl blijkens het bezoekrapport van 20 juni 1995 onder andere sprake was van te hoog stapelen (rov. 4.19 en 4.20), maakt een en ander volgens het onderdeel niet anders, nu het hof in het kader van zijn vaststelling van het gevaar, zoals zich dat in feite heeft verwezenlijkt (rov. 4.10), niet heeft vastgesteld dat te hoog stapelen in concreto de oorzaak is geweest van, althans heeft bijgedragen aan, de verwezenlijking van het gevaar. De omstandigheid, dat, naar het hof eveneens heeft vastgesteld, Melchemie zich begin 1992 (ook) heeft bemoeid met de toen geconstateerde, ernstige tekortkoming, bestaande in (toen) niet separaat opslaan van calciumhypochloriet en isocyanuraten, doet volgens het onderdeel aan het vorenstaande evenmin af, aangezien, naar moet worden aangenomen, dit naar 's hofs vaststelling weliswaar de oorzaak is geweest van de verwezenlijking van het gevaar, doch een dergelijke tekortkoming in het bezoekrapport van 20 juni 1995 niet is opgenomen en Melchemie hierop toen derhalve niet is geattendeerd (hetgeen het hof - dan ook - niet heeft vastgesteld).
Bij dit een en ander komt volgens het onderdeel, dat 's hofs overwegingen in rov. 4.19 en 4.20 (kennelijk, blijkens hun bewoordingen) slechts zijn bedoeld als reactie op het betoog van Melchemie dat zij uit het bezoekrapport, mede gelet op de inhoud en toon van dat rapport, midden jaren negentig nog niet behoefde op te maken dat van een serieus te nemen probleem sprake was. 's Hofs uitleg, inhoudende dat het bezoekrapport wél de bekendmaking aan haar, Melchemie, van een serieus te nemen probleem inhield, laat aldus zijn oordeel onverlet dat het feit dat Melchemie, als eigenaar, tevens bedrijfsmatig gebruiker, van de gevaarlijke stoffen, wist of moest begrijpen dát aan CMI veiligheidsvoorschriften waren gesteld - zónder dat zij wist of moest begrijpen welke (opslag)voorschriften dat precies waren -, een bijzondere zorgplicht voor Melchemie meebracht dat zij, toen haar in het bezoek(rapport) werd medegedeeld dát (veiligheids)voorschriften zouden worden overtreden, maatregelen diende te nemen, ongeacht het antwoord op de vraag van welke veiligheidsvoorschriften haar een overtreding werd gemeld en of het daarbij al dan niet ging om voorschriften waarvan de overtreding uiteindelijk daadwerkelijk heeft geleid tot de verwezenlijking van het gevaar.
3.3 Bij de beoordeling van de klachten van het onderdeel stel ik voorop dat het onderdeel het bestaan van een op Melchemie rustende zorgplicht ter discussie stelt. Het bestaan van een dergelijke zorgplicht, in een situatie waarin door DCMR was geconstateerd en aan Melchemie was medegedeeld dat sprake was van overtreding door CMI van bepaalde, voor de opslag van de litigieuze stof geldende voorschriften, welke voorschriften (mede) ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de litigieuze stof waren verbonden, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken, kan uiteraard niet afhankelijk zijn van de vraag of de bedoelde bijzondere gevaren zich uiteindelijk hebben verwerkelijkt en, indien dit laatste het geval is, of zulks al dan niet het gevolg was van de door DCMR geconstateerde en aan Melchemie bekend gemaakte overtreding. Iets anders is dat, als een zorgplicht gold en Melchemie haar zou hebben veronachtzaamd, naast de reikwijdte van die zorgplicht ook de exacte oorza(a)k(en) van de brand bij de beoordeling van het causale verband tussen het veronachtzamen van de zorgplicht en de door Delbanco c.s. geleden schade van belang zou(den) zijn.
Voorts stel ik voorop dat voor het bestaan van een zorgplicht zoals bedoeld de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn(43), hetgeen de ruimte voor toetsing in cassatie overigens beperkt(44).
3.4 Het geschil betreft een stof waaraan een inherent gevaar kleeft. Gelet op dit inherente gevaar heeft de eigenaar van de stof een verantwoordelijkheid voor een deugdelijke opslag van de stof zorg te dragen. Of hij verzorgt de opslag zelf óf hij besteedt deze uit aan een professionele derde. Zolang hij erop mag vertrouwen dat de door hem ingeschakelde derde de stof deugdelijk opslaat, rust op hem in beginsel geen bijzondere zorgplicht. Een dergelijke overdracht van het toezicht op de stof ontslaat de eigenaar echter niet van elke verantwoordelijkheid(45). Het hof heeft in rov. 4.13 naar mijn mening terecht tot uitgangspunt genomen dat op Melchemie, enkel door de opslag van haar chemische stoffen uit te besteden aan CMI, niet de verplichting kwam te rusten te controleren of CMI zich aan de geldende voorschriften voor de opslag van die stoffen hield en dat zulks niet anders wordt doordat het in dit geval een oxiderende stof betrof waarvan de wetgever in het kader van art. 6:175 BWPro als vaststaand heeft aangenomen dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert. Melchemie mocht ook volgens het hof in beginsel erop vertrouwen dat CMI de stof naar behoren zou opslaan, nu Melchemie CMI als professionele bewaarder van stoffen zoals de onderhavige had ingeschakeld en Delbanco c.s. niet hebben gesteld dat Melchemie van aanvang af aanleiding had te betwijfelen of CMI de stof naar behoren opsloeg.
Vervolgens heeft het hof in rov. 4.14 geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of Melchemie onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BWPro jegens Delbanco c.s. heeft gehandeld, de reikwijdte van de zorgplicht van Melchemie als eigenaar van de aan CMI in opslag gegeven oxiderende stof niet uitsluitend wordt bepaald door het feit dat Melchemie CMI als bewaarder had ingeschakeld. Het hof heeft twee andere aspecten voor het bepalen van die reikwijdte van betekenis geacht. Daarbij heeft het hof kennelijk het oog gehad op de tweede en derde "kenniseis" zoals afgeleid uit het Kelderluik-arrest(46), te weten kennis van de laedens (Melchemie) omtrent het gevaar en de kans op verwezenlijking daarvan en kennis van de schadelijke gevolgen van die verwezenlijking.
3.5 Het eerste aspect dat het hof in rov. 4.15 heeft meegewogen, heeft betrekking op de kennis van de eigenschappen van de oxiderende stof die Melchemie op of omstreeks 20 juni 1995 had of mocht worden geacht te hebben. Het hof heeft vastgesteld dat Melchemie de bij CMI opgeslagen oxiderende stof calciumhypochloriet in de uitoefening van haar bedrijf gebruikte (i). Daarmee mocht volgens het hof van Melchemie worden verlangd dat zij op zichzelf bekend was met de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, waaronder brandgevaar (ii). Het hof is vervolgens ingegaan op het verweer van Melchemie dat zij met de specifieke voorschriften voor de opslag van de stof niet bekend was en niet bekend behoefde te zijn. In dat kader heeft het hof geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat desbetreffende voorschriften onder andere waren vervat in het advies van 30 september 1991 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen inzake de "opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden", kortheidshalve aangeduid als de CPR 15-2 Richtlijn. Het hof heeft vastgesteld dat deze richtlijn strekte ter preventie van rampen door gevaarlijke stoffen en dat de richtlijn blijkens het bezoekrapport van 20 juni 1995 (zie hiervóór onder 1.4) binnen Melchemie bekend was (iii). Het hof heeft daarbij niet doorslaggevend geacht hoe specifiek Melchemie in dit geval met de voorschriften voor opslag van de oxiderende stof bekend was of moest zijn. Volgens het hof gaat het erom dat Melchemie als bedrijfsmatig gebruiker van de oxiderende stof, mede gezien haar bekendheid met de CPR 15-2 Richtlijn, heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof mede ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken (iv).
3.6 In rov. 4.16 heeft het hof niet doorslaggevend geacht of Melchemie, naar zij heeft betwist, met de inhoud van de hinderwetvergunning van CMI bekend was. Het hof heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat CMI een hinderwetvergunning voor de opslag van de oxiderende stof nodig had (v). Op de in rov. 4.15 vermelde gronden heeft het hof aangenomen dat Melchemie ook mag worden geacht te hebben geweten dat aan die vergunning verbonden voorschriften mede ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken (vi). In rov. 4.17 heeft het hof evenmin doorslaggevend geacht of Melchemie, zoals zij stelt, CMI altijd van afdoende productinformatie en dergelijke heeft voorzien. Ook indien dat juist is, volgt daaruit niet dat Melchemie als eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de oxiderende stof niet mag worden geacht te hebben geweten dat de voorschriften voor de opslag van de onderhavige stof mede ertoe strekken de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, waaronder brandgevaar, zich zouden verwezenlijken (vii).
3.7 Het tweede aspect, dat het hof in rov. 4.18 heeft meegewogen, betreft de omstandigheid dat Melchemie tussen 11 mei 1995, het moment waarop CMI blijkens de brief van 13 juni 1995 van DCMR aan CMI over het niet naleven van de voorschriften van de hinderwetvergunning door medewerkers van DCMR is bezocht, en 20 juni 1995, de datum van het (hiervóór onder 1.4 genoemde) bezoekrapport, blijkens dit rapport door CMI is geattendeerd op het feit dat DCMR had geconstateerd dat de oxiderende stof niet conform de voorschriften van de hinderwetvergunning was opgeslagen. Het hof heeft vastgesteld dat het, blijkens de aanpassingen die [betrokkene 1] in het bezoekrapport aan de directeur van Melchemie heeft genoemd als door CMI onverwijld te verrichten aanpassingen, ging om voorschriften die mede ertoe strekten de kans te beperken dat de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de oxiderende stof waren verbonden, zich zouden verwezenlijken.
3.8 Waar het hof met het eerste aspect heeft aangeknoopt bij de "bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar", betreft zijn oordeel de kennis van Melchemie met betrekking tot het gevaar, verbonden aan (de opslag van) de oxiderende stof, en de schadelijke gevolgen van een verwerkelijking van dat gevaar in het algemeen. Met het tweede aspect heeft het hof gedoeld op de concrete kennis van Melchemie met betrekking tot de gevaarssituatie die met betrekking tot de bij CMI opgeslagen stof was ontstaan, doordat CMI de voorschriften van de hinderwetvergunning niet naleefde.
3.9 Bij de vaststelling van beide aspecten heeft het hof de hiervóór (onder 2.4-2.8) bedoelde instrumenten van objectivering en generalisering van de kennis van Melchemie gehanteerd. Het instrument van objectivering heeft het hof vooral bij de vaststelling van het eerste aspect gehanteerd. Dat blijkt uit de in de rov. 4.15-4.17 gebezigde bewoordingen, die ik hier onder verwijzing naar de onder 3.5-3.6 door mijzelf aangebrachte nummering weergeef: "Daarmee mocht van haar worden verlangd dat zij op zichzelf bekend was met (...)" (ii), "(...) heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen (...)" (iv) en " (...) mag worden geacht te hebben geweten dat (...)" (vi en vii). Het hof heeft objectiverende elementen gebruikt om het vermogen van Melchemie een concrete gevaarssituatie te onderkennen (of, met andere woorden, "het algemene gevaarsbewustzijn"(47) van Melchemie) vast te stellen. Daarbij heeft het hof zich gebaseerd op het bedrijfsmatige gebruik van de betrokken stof door Melchemie (i) en de in verband daarmee veronderstelde kennis van de eigenschappen van de stof (ii), alsmede haar bekendheid met het bestaan van de CPR 15-2 Richtlijn (iii) en het vereiste van een hinderwetvergunning voor de opslag (v). In deze context ligt het gebruik van objectiverende elementen alleszins voor de hand; de ervaringen van Melchemie als eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de stof, alsmede haar bekendheid met het bestaan van de CPR 15-2 Richtlijn en de noodzaak van een hinderwetvergunning voor de opslag leiden immers (objectief) tot een hoger gevaarsbewustzijn dan dat van een willekeurige derde die niets met gevaarlijke stoffen van doen heeft en aan wie de genoemde richtlijn en de noodzaak van een hinderwetvergunning niet bekend zijn.
3.10 Objectivering met betrekking tot het tweede aspect (de kennis van Melchemie met betrekking tot de concrete gevaarssituatie) zou allicht bezwaarlijker zijn, nu het aan Melchemie verweten gedrag een vorm van nalaten betreft; zoals hiervóór (onder 2.9-2.14) uiteengezet, is in geval van nalaten in een gevaarssituatie de ruimte voor objectivering van de kennis van de niet-handelende partij met betrekking tot het zich voordoen van die gevaarssituatie beperkt. Voor aansprakelijkheid wegens zuiver nalaten is concrete, subjectieve kennis van het gevaar vereist. Daargelaten of slechts van een zuiver nalaten van Melchemie sprake is, heeft het hof de concrete, subjectieve kennis van Melchemie ten aanzien van de gevaarssituatie getoetst. In rov. 4.18 heeft het hof immers aangeknoopt bij het bezoekrapport van 20 juni 1995 en de daaruit blijkende (concrete, subjectieve) kennis van Melchemie.
3.11 In de rov. 4.19-4.20 heeft het hof getoetst of de stellingen van Melchemie met zich brengen dat zij niet heeft beseft en niet behoefde te beseffen dat zich een serieus te nemen gevaarssituatie voordeed. In rov. 4.19 volgde het hof Melchemie niet in haar stelling dat zij uit de inhoud of toon van het bezoekrapport (een "jonge ambitieuze ambtenaar", "men kneep weleens een oogje toe") heeft mogen begrijpen dat het niet zo'n vaart zou lopen en dat zij midden jaren negentig nog niet behoefde te beseffen dat van een serieus te nemen probleem sprake was. Het hof heeft daartoe overwogen dat Melchemie zich begin 1992 heeft bemoeid met aan aantal door haar bij CMI geconstateerde ernstige tekortkomingen, waaronder het niet separaat opslaan van calciumhypochloriet en isocyanuraten, door Melchemie aangeduid als een handelen "in strijd met onze voorschriften", dat "een groot risiko voor explosies in de hand werkt". Een andere door Melchemie toen geconstateerde tekortkoming betrof "(h)et dermate hoog opstapelen van goederen, zodat schade aan onze verpakkingen is toegebracht". Melchemie heeft CMI toen verzocht haar per omgaande mee te delen welke maatregelen CMI dacht te treffen "om genoemde gebreken met onmiddellijke ingang te voorkomen". Het hof heeft vervolgens in rov. 4.20 overwogen dat blijkens het bezoekrapport van 20 juni 1995 ook in 1995 onder andere van te hoog opstapelen sprake was. Melchemie was blijkens haar bemoeienissen van begin 1992 ermee bekend dat te hoog opstapelen het risico inhield dat schade werd toegebracht aan een verpakking waarin calciumhypochloriet werd bewaard. Volgens het hof behoefde het geen betoog dat dergelijke schade het risico vergroot dat calciumhypochloriet uit de verpakking raakt en een bijzonder gevaar van ernstige aard verbonden aan de oxiderende stof, waaronder brand- en explosiegevaar, zich verwezenlijkt. Mede blijkens de aanhef van rov. 4.21, waarin het hof onvoldoende toegelicht heeft geacht waarom Melchemie in 1992 wel in actie kwam toen zij ontdekte dat CMI de veiligheidsvoorschriften onvoldoende naleefde, maar in 1995 niet, was het hof kennelijk van oordeel dat, gelet op het gevaarsbewustzijn van Melchemie zoals dat uit de gebeurtenissen van 1992 bleek, de in 1995 ontstane gevaarssituatie haar niet door de inhoud en de toon van het bezoekrapport kan zijn ontgaan, in welk verband het hof vooral van belang heeft geacht dat het reeds in 1992 door Melchemie gesignaleerde risico van te hoog opstapelen blijkens het bezoekrapport in 1995 opnieuw aan de orde was(48).
3.12 Het onderdeel klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door te oordelen dat reeds (i) de (veronderstelde) bekendheid van Melchemie met de aan (de opslag van) calciumhypochloriet verbonden bijzondere gevaren van ernstige aard, waaronder brandgevaar, en (ii) het feit dat Melchemie erop was geattendeerd dat CMI bij de opslag van het aan Melchemie toebehorende calciumhypochloriet voorschriften had overtreden die mede tot beperking van de kans op verwerkelijking van die gevaren strekten, met zich brachten dat op Melchemie, als eigenaar en bedrijfsmatige gebruiker van de stof, de (bijzondere) zorgplicht rustte zelf bij CMI poolshoogte te nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had. Volgens het onderdeel gaat de zorgplicht van de eigenaar/bedrijfsmatige gebruiker van de bedoelde stof niet zover dat hij op grond van veronderstelde bekendheid met de aan de (opslag van de) stof verbonden gevaren en bekendheid met overtredingen van de (tot beperking van de kans op verwerkelijking van die gevaren strekkende) (opslag)voorschriften door de bewaarder zou zijn gehouden maatregelen te nemen, óók als niet vaststaat dat hij (specifiek) op de hoogte was, althans moest zijn van (de inhoud van) de in concreto overtreden (opslag)voorschriften, en evenmin vaststaat dat het gevaar zoals zich dat in feite heeft verwezenlijkt, is ontstaan, juist door de overtreding(en) die hem is (zijn) bekend geworden, althans medegedeeld. Volgens het onderdeel kan een gehoudenheid tot het treffen van de door het hof bedoelde maatregelen evenmin worden afgeleid uit hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot de gebeurtenissen uit 1992, nu (i) niet is vastgesteld dat te hoog stapelen de oorzaak is geweest of heeft bijgedragen aan de brand bij CMI, (ii) het niet separaat opslaan van calciumhypochloriet en isocyanuraten weliswaar een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de brand, maar Melchemie daarop niet in het onderzoekrapport is geattendeerd, en (iii) het hof zijn overwegingen met betrekking tot de gebeurtenissen in 1992 slechts ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat er voor Melchemie alle aanleiding was uit het bezoekrapport van 20 juni 1995 op te maken dat van een serieus te nemen probleem sprake was.
3.13 Zoals ik hiervóór (onder 3.3) al aangaf, is voor het enkele bestaan van een bijzondere zorgplicht zoals door het hof bedoeld en door het onderdeel bestreden, onverschillig of de aan opslag van calciumhypochloriet verbonden bijzondere gevaren, waaronder brandgevaar, zich al dan niet hebben verwerkelijkt, en, zo dit laatste het geval mocht zijn, op welke wijze dat is gebeurd en of een door DCMR geconstateerde overtreding van de opslagvoorschriften daarbij al dan niet een rol heeft gespeeld. Voor zover aan het onderdeel ten grondslag is gelegd dat het hof heeft miskend dat niet vaststaat dat het gevaar zoals zich dat in feite heeft verwezenlijkt, juist is ontstaan door de overtreding(en) die Melchemie is (zijn) bekend geworden, althans medegedeeld, kan het onderdeel al om die reden niet tot cassatie leiden.
3.14 In de gedachtegang van het hof is voor het bestaan van een bijzondere zorgplicht kennelijk slechts van belang dat door de aan Melchemie bekend geworden overtreding van opslagvoorschriften die mede strekten tot beperking van de kans op verwerkelijking van de aan opslag van calciumhypochloriet verbonden bijzondere gevaren, waaronder brandgevaar, in algemene zin een gevaarssituatie ontstond die Melchemie als eigenaar van de opgeslagen stoffen tot maatregelen dwong. In de gedachtegang van het hof doet kennelijk niet ter zake welke van die voorschriften zijn overtreden en of Melchemie met de inhoud van de concreet overtreden voorschriften bekend was. Het enkele feit van overtreding van tot beperking van de kans op verwerkelijking van de ook aan Melchemie bekende gevaren strekkende voorschriften dwong Melchemie naar het oordeel van het hof ertoe zich zelf van de veiligheidssituatie met betrekking tot de opslag op de hoogte te stellen en aan haar waarnemingen zonodig gevolgen te verbinden voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had(49).
3.15 Het hof heeft in rov. 4.13 met het oog op de reikwijdte van de zorgplicht van Melchemie als (in cassatie onbestreden) uitgangspunt vooropgesteld dat op Melchemie, enkel door de opslag van haar chemische stoffen uit te besteden aan CMI, niet de verplichting kwam te rusten te controleren of CMI zich aan de geldende voorschriften voor de opslag van die stoffen hield, en dat Melchemie in beginsel erop mocht vertrouwen dat CMI de stoffen naar behoren zou opslaan. Naar mijn mening kan dit uitgangspunt (dat ik onderschrijf) niet los worden gezien van het publieke toezicht op en de publieke handhaving van de nakoming van de door het hof bedoelde en voor de opslag geldende voorschriften; alhoewel, zoals het hof in rov. 4.22 in fine op zichzelf terecht heeft overwogen, publiek toezicht Melchemie niet van haar private verantwoordelijkheid ontslaat, is het, kennelijk ook naar het oordeel van het hof, het publieke toezicht dat voorshands prevaleert en dat de eigenaar die zijn chemische stoffen in opslag heeft gegeven, voorshands ontslaat van de verplichting zelf te controleren of de bewaarder zich aan de geldende voorschriften voor de opslag van die stoffen houdt.
Met dit naar mijn mening rechtens voor juist te houden uitgangspunt valt niet te verenigen dat de enkele (bekendheid van de eigenaar met de) constatering door de bevoegde ambtelijke dienst van door de bewaarder gepleegde overtredingen, de eigenaar alsnog tot een eigen en algehele (dat wil zeggen: niet tot de geconstateerde overtredingen beperkte) controle van de veiligheidssituatie met betrekking tot de in opslag gegeven voorraad zou dwingen. Het publieke stelsel van toezicht en handhaving, dat kennelijk ook naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dat de eigenaar voorshands van een eigen controle op de naleving van de voorschriften voor opslag afziet, zou in de door het hof kennelijk aangehangen opvatting na constatering van enige overtreding van de bewaarder geen enkele grond voor vertrouwen van de eigenaar meer bieden, óók niet ten aanzien van die aspecten van de opslag die het publieke toezicht hebben doorstaan. Dat resultaat acht ik ook daarom ongerijmd, omdat het publieke stelsel van toezicht en handhaving als grondslag voor vertrouwen op een behoorlijke nakoming van de voorschriften door de bewaarder in de ban zou worden gedaan, juist naar aanleiding van een bewijs (de constatering van een overtreding van die voorschriften) dat het publieke stelsel van toezicht "werkt", en met voorbijgaan aan de publieke handhaving van de betrokken en door de bewaarder overtreden voorschriften.
Tegen die achtergrond deel ik de opvatting van het onderdeel dat voor een bijzondere zorgplicht van de door het hof bedoelde reikwijdte, ertoe strekkende dat de eigenaar zelf zich een oordeel van de (algehele) veiligheidssituatie met betrekking tot de opslag vormt en aan dat oordeel zonodig consequenties ten aanzien van de in opslag gegeven voorraad verbindt, niet volstaat dat de eigenaar bekend is geworden met de constatering van een overtreding van opslagvoorschriften, die mede strekken tot beperking van de kans op verwerkelijking van de aan opslag van calciumhypochloriet verbonden bijzondere gevaren, waaronder brandgevaar, althans niet als de eigenaar niet ook (specifiek) op de hoogte is, althans moet zijn van (de inhoud van) de in concreto overtreden voorschriften.
3.16 Bij het voorgaande komt (maar daarmee verlaat ik de op het abstraheren van de concrete door CMI overtreden voorschriften en de wetenschap daaromtrent van Melchemie toegespitste klachten van onderdeel 1 en betreed ik het gebied dat wordt ontsloten door de bredere, tegen de reikwijdte van de door het hof aangenomen bijzondere zorgplicht gerichte klacht van het hierna nog aan de orde komende onderdeel 3) dat bij de bepaling van de reikwijdte van een zorgplicht zoals die van Melchemie met alle omstandigheden van het geval rekening moet worden gehouden. Het hof, dat zich uitdrukkelijk heeft beperkt tot de veronderstelde bekendheid van Melchemie met de strekking van de voor opslag geldende voorschriften en met de bekendheid van Melchemie met de ambtelijke constatering van door CMI gepleegde overtredingen (de twee aspecten waaraan het hof naast de inschakeling door Melchemie van CMI als bewaarder, in de woorden van rov. 4.14 "mede betekenis" heeft toegekend), heeft de andere omstandigheden echter niet, althans niet alle, (kenbaar) in zijn oordeel betrokken. Waar het uiteindelijk aankomt op de vraag of de geconstateerde overtredingen van CMI een zodanige gevaarssituatie in het leven riepen dat onverwijld ingrijpen door Melchemie was geboden, meen ik dat het hof aan die andere omstandigheden niet zonder meer had mogen voorbijgaan.
Zo is in het bijzonder van belang dat Melchemie van de geconstateerde overtredingen in kennis werd gesteld, niet door DCMR als de ambtelijke dienst die de overtredingen had geconstateerd, maar door CMI zelf, en dat bovendien op een manier die niet erop wees dat CMI van plan was zich aan haar verantwoordelijkheden te onttrekken. CMI wendde zich tot Melchemie, juist met het oog op de kostenconsequenties die de door DCMR verlangde aanpassingen zouden hebben.
3.17 Het hof is in de rov. 4.19-4.22 weliswaar op een aantal stellingen van Melchemie ingegaan, maar louter ter toetsing van de in de voorgaande rechtsoverwegingen besloten liggende vaststellingen met betrekking tot de veronderstelde bekendheid van Melchemie met de strekking van de voor opslag geldende voorschriften en met de bekendheid van Melchemie met de (al dan niet ernstig te nemen) ambtelijke constatering van door CMI gepleegde overtredingen.
Rov. 4.19 betreft de vraag hoe ernstig Melchemie, gelet op de inhoud en de toon van het bezoekrapport, de constatering van overtredingen moest nemen. Het hof heeft in dat verband verwezen naar de eerdere reactie van Melchemie op in 1992 door haarzelf geconstateerde (en klaarblijkelijk serieus genomen) overtredingen. Nog daargelaten dat ook een serieus te nemen constatering van overtredingen naar mijn mening op zichzelf niet volstaat voor een zorgplicht van een reikwijdte als het hof heeft aangenomen, meen ik dat de vergelijking tussen de gebeurtenissen in 1995 en die in 1992 mank gaat. Anders dan het hof in rov. 4.21, tweede volzin, heeft overwogen, maakt het wel degelijk verschil dat Melchemie in 1992 zelf overtredingen constateerde, terwijl er in 1995 sprake was van door DCMR geconstateerde (en, naar Melchemie mocht aannemen, ook langs publieke weg te redresseren) overtredingen, die haar overigens niet door DCMR, maar (spontaan) door CMI zelf waren gemeld.
In rov. 4.22 is het hof ingegaan op het argument dat Melchemie zich kennelijk ervan rekenschap had gegeven dat in februari 1996 een tweede inspectie door DCMR zou plaatsvinden. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat publiek toezicht Melchemie niet van haar private verantwoordelijkheid ontslaat. Dat oordeel, hoezeer op zichzelf ook juist, doet niet af aan het ook door het hof gehanteerde uitgangspunt dat de eigenaar in beginsel niet zelf tot controle is gehouden; het valt niet zonder meer in te zien waarom dat juist gedurende een lopend traject van publiek toezicht en publieke handhaving anders zou zijn.
3.18 Onderdeel 2 klaagt dat het hof althans van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door voor zijn oordeel over de door Melchemie in acht te nemen (bijzondere) zorgplicht niet te onderzoeken en aldus niet van belang te achten wat (in algemene zin) het bedrijfsmatig gebruik door Melchemie van de gevaarlijke stof inhield, en (in het bijzonder) hoe specifiek Melchemie bekend was of moest zijn met de voorschriften voor opslag van de oxiderende stof. Volgens het onderdeel hangt die zorgplicht immers mede af van de aard en de mate van het gebruik dat de eigenaar zelf (bedrijfsmatig) van de stof maakt en van het antwoord op de vraag of en in hoeverre de eigenaar (ook zelf) bemoeienis heeft met de fysieke behandeling en afhandeling, met name de opslag, van de stof, en aldus of en in hoeverre hij uit dien hoofde (ook zelf) nauwkeurig en volledig op de hoogte is of behoort te zijn van de (specifieke) voorschriften voor de fysieke behandeling en afhandeling van de stof, zoals die met betrekking tot verpakking, transport en opslag.
In elk geval heeft het hof volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd, nu Melchemie heeft gesteld en het hof in het midden heeft gelaten dat (i) Melchemie niet zelf chemicaliën produceerde maar deze slechts importeerde en vervolgens distribueerde, (ii) Melchemie zelf geen "voorraadhoudende importeur" was, (iii) Melchemie wel ervaring had met de wet- en regelgeving ten aanzien van de verpakkingsvereisten en veilig transport, maar veel minder verstand had van opslag, (iv) Melchemie zich uiteraard bewust was van de eigenschappen van de diverse producten en de specifieke daaraan klevende gevaren, doch juist daarom een professionele bewaarder als CMI inschakelde, (v) de "handling" een vak apart is, en het uitbesteden daarvan onder meer geschiedde vanwege de complexiteit en het bijhouden van alle regels en de wijzigingen daarin, zoals de CPR 15-2 Richtlijn, (vi) Melchemie wist dat CMI een vergunning had voor de opslag van chemicaliën, maar de inhoud daarvan niet kende en ook de CPR 15-2 Richtlijn en andere Richtlijnen niet kende zoals CMI die kende, nu die richtlijnen zich specifiek op de voorraad-, c.q. opslaghoudende partijen richten. Onder die omstandigheden heeft het hof evenzeer ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, geoordeeld dat van Melchemie had kunnen worden verlangd zelf poolshoogte te nemen bij CMI om de veiligheidssituatie in ogenschouw te (kunnen) nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor haar voorraden bij CMI.
3.19 Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop, dat in de benadering van het hof volstond dat Melchemie in algemene zin bekend was (althans mocht worden geacht bekend te zijn) met de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan (de opslag van) calciumhypochloriet waren verbonden, waaronder brandgevaar, en dat Melchemie voorts bekend was (althans mocht worden geacht bekend te zijn) met het gegeven dat de voorschriften die op de opslag van calciumhypochloriet van toepassing waren, mede ertoe strekten de kans te beperken dat die bijzondere gevaren van ernstige aard zich zouden verwerkelijken. In de gedachtegang van het hof, waarin het inderdaad niet aankwam op een specifieke en gedetailleerde kennis van de voorschriften die de opslag van calciumhypochloriet beheersten, had reeds dat algemene gevaarsbewustzijn van Melchemie, in combinatie met haar wetenschap dat CMI de voorschriften voor opslag (waarvan Melchemie wist of mocht worden geacht te weten dat zij mede strekten tot beperking van de kans op verwerkelijking van de bijzondere gevaren van ernstige aard die aan de opslag van calciumhypochloriet waren verbonden), Melchemie ertoe moeten brengen de door het hof bedoelde acties te ondernemen.
Zoals reeds bij de bespreking van het eerste onderdeel aan de orde kwam, meen ik dat een zorgplicht van zover gaande aard als in het bestreden arrest is aangenomen, niet louter op de door het hof in zijn oordeel betrokken omstandigheden kan berusten. Anderzijds meen ik dat, anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, het ontbreken van specifieke en gedetailleerde kennis van de voorschriften die bij de opslag van calciumhypochloriet in acht dienen te worden genomen, een zodanige zorgplicht niet onder alle omstandigheden uitsluit. De door het hof aangenomen, algemene bekendheid van Melchemie met de bijzondere gevaren die aan de opslag van calciumhypochloriet waren verbonden en haar bekendheid met het gegeven dat de voor opslag van calciumhypochloriet geldende voorschriften mede op een beperking van de kans op verwerkelijking van die gevaren waren gericht, hadden Melchemie, toen zij kennis kreeg van overtreding van die voorschriften, ook in mijn opvatting onder bijkomende omstandigheden wel degelijk tot onverwijlde actie kunnen dwingen, waaraan het ontbreken van specifieke en gedetailleerde kennis van de opslagvoorschriften in dat geval niet in de weg zou hebben gestaan. In die zin acht ik de klacht van het onderdeel ongegrond. Dat geldt mijns inziens ook voor zover het onderdeel ter discussie stelt of van Melchemie onder de door het onderdeel genoemde omstandigheden (welke omstandigheden alle het ontbreken van specifieke en gedetailleerde kennis van Melchemie van de bij opslag van calciumhypochloriet in acht te nemen voorschriften accentueren) mocht worden verlangd zelf poolshoogte te nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraden die CMI voor haar in opslag had. In een situatie waarin Melchemie, nadat zij kennis had gekregen van de overtreding door CMI van de opslagvoorschriften, op grond van bijkomende omstandigheden niet langer inactief had mogen blijven, had zij zich, ook bij een evaluatie van de veiligheidssituatie bij CMI, zonodig door (een) deskundige derde(n) kunnen laten bijstaan.
3.20 Volgens onderdeel 3 geven 's hofs overwegingen, en in het bijzonder rov. 4.21, in elk geval van een onjuiste rechtsopvatting blijk en/of zijn deze overwegingen onbegrijpelijk, voor zover het hof heeft geoordeeld dat (de op Melchemie als eigenaar, tevens bedrijfsmatige gebruiker rustende zorgplicht meebracht dat) van Melchemie onder de door het hof aangenomen omstandigheden als maatregel kon worden verlangd dat zij, Melchemie, zelf poolshoogte zou nemen bij CMI om de veiligheidssituatie in ogenschouw te (kunnen) nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had. Zelfs indien - zoals het hof heeft aangenomen, doch door de onderdelen 1 en 2 wordt bestreden - op de eigenaar, tevens bedrijfsmatige gebruiker, die de gevaarlijke stof in de macht van de bedrijfsmatige bewaarder heeft gebracht, maar die (desondanks) weet of moet begrijpen dat (in algemene zin) veiligheidsvoorschriften zullen gelden voor de bewaarder, een bijzondere zorgplicht rust indien hem bekend is of wordt medegedeeld dat - opnieuw in algemene zin - de veiligheidsvoorschriften worden overtreden, dan nog kan die (bijzondere) zorgplicht volgens het onderdeel niet zó ver gaan, dat de eigenaar, tevens bedrijfsmatige gebruiker - die niet zelf een gevaarlijke (opslag)situatie in het leven heeft geroepen - zelf de veiligheidssituatie met betrekking tot de opslag in ogenschouw dient te nemen en zich daarover een (eigen) oordeel dient te vormen (en vervolgens op basis daarvan al dan niet maatregelen dient te nemen). In elk geval is een eigen beoordeling van de veiligheidssituatie door de eigenaar (Melchemie) niet (goed) mogelijk, en een eigen waarneming daarvan dan ook niet zinvol, indien de eigenaar (Melchemie) niet (specifiek) bekend was en moest zijn met de opslagvoorschriften, zoals het hof in rov. 4.15 uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten, zodat op die grond onbegrijpelijk is dat het hof van een eigenaar (als Melchemie) blijkens rov. 4.21 wél verlangt zich uit eigen waarneming van de veiligheidssituatie met betrekking tot de opslag op de hoogte te stellen en zich daarover een oordeel te vormen.
Althans in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een eigenaar/bedrijfsmatige gebruiker, die niet zelf de gevaarlijke (opslag)situatie in het leven heeft geroepen, en ten aanzien van wie in cassatie als vaststaand kan worden aangenomen als in onderdeel 2(50) onder 2) met (i) - (vi) is aangeduid, terwijl bovendien in cassatie als vaststaand kan gelden dat de publiekrechtelijke toezichthouder, DCMR, (met de situatie bekend is, zich ermee bezighoudt en) aan CMI tót februari 1996 de tijd heeft gegeven om aan de voorschriften van de hinderwetvergunning te voldoen (welke periode ten tijde van de brand nog niet was verstreken), kan, althans kon naar de stand van zaken op het ten deze relevante peilmoment, te weten in 1995/1996, van de eigenaar/bedrijfsmatige gebruiker, aan wie de overtreding door de (bedrijfsmatige) bewaarder van de opslagvoorschriften wordt bekend gemaakt, althans medegedeeld, (ook indien de eigenaar moest beseffen dat het daarbij om een serieus te nemen probleem ging), niet méér worden verlangd, dan dat hij zijnerzijds de bewaarder (zo nodig) instrueert (instrueerde) aan de door de publiekrechtelijke toezichthouder (DCMR) gestelde eisen gehoor te geven, respectievelijk daarop zonodig "hamert", en in niet mis te verstane bewoordingen aangeeft dat de bewaarder de voorschriften dient na te leven, een en ander zoals Melchemie uitdrukkelijk heeft gesteld te hebben gedaan en het hof blijkens rov. 4.21, in fine, in het midden heeft gelaten (want ten onrechte onvoldoende heeft gevonden). Hieraan doet niet af, dat publiek toezicht Melchemie niet van haar private verantwoordelijkheid ontslaat - zoals het hof in rov. 4.22, in fine, heeft overwogen - aangezien de private verantwoordelijkheid van Melchemie (nu eenmaal) niet zo ver reikt als door het hof is aangenomen en het handelen van de publiekrechtelijke toezichthouder in het kader van zijn publiekrechtelijke, toezichthoudende taak, anders dan het hof kennelijk, althans mogelijk heeft aangenomen, wel degelijk van belang kan zijn bij de bepaling van wat de private verantwoordelijkheid meebrengt, zulks nog temeer, althans in elk geval, in een geval als het onderhavige, waarin de eigenaar/bedrijfsmatige gebruiker van de gevaarlijke stof de gevaarlijke (opslag)situatie niet (zelf) in het leven heeft geroepen.
3.21 Zoals bij de bespreking van onderdeel 1 al aan de orde kwam, meen ik dat een zó vergaande bijzondere zorgplicht als het hof heeft aangenomen, niet louter op de daartoe door het hof in aanmerking genomen omstandigheden (de kennis van Melchemie van de bijzondere gevaren, verbonden aan - de opslag van - calciumhypochloriet, de kennis van Melchemie van de op een beperking van de kans op verwerkelijking van die gevaren gerichte strekking van de voor opslag geldende voorschriften en de wetenschap van Melchemie dat CMI die voorschriften had overtreden) kan worden gebaseerd. Voor zover (ook) onderdeel 3 een daarop gerichte klacht bevat, meen ik dat (ook) onderdeel 3 slaagt.
Overigens meen ik dat het onderdeel in dit verband tevergeefs mede een beroep doet op de omstandigheid dat het Melchemie (bij gebreke aan specifieke en gedetailleerde kennis van de voor opslag van calciumhypochloriet geldende voorschriften) niet mogelijk was om (zo een bijzondere zorgplicht dit al van haar zou verlangen) zelf poolshoogte van de veiligheidssituatie met betrekking tot de door haar bij CMI in opslag gegeven voorraden te nemen en zich daarover een oordeel te vormen. Waar het hof (in rov. 4.21) heeft gesproken van het "zelf" poolshoogte nemen door Melchemie, heeft het met "Melchemie (...) zelf" kennelijk een tegenstelling bedoeld met DCMR (zie ook de tweede volzin van die rechtsoverweging: "Het enkele feit dat de tekortkomingen in 1995 niet door haarzelf waren geconstateerd, maar door DCMR (...)") en heeft het geenszins willen uitsluiten dat Melchemie zich bij uitvoering van de acties waartoe zij op grond van de haar toegedachte, bijzondere zorgplicht was gehouden, zonodig door (een) deskundige derde(n) had moeten laten bijstaan.
3.22 Onderdeel 4 betoogt dat rov. 4.23, voor zover inhoudende dat Melchemie niet stelt dat het bezwaarlijk voor haar was om, na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995, ook zelf een inschatting van de veiligheidsrisico's in de loodsen te maken, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, aangezien de uitvoerige en herhaalde stellingen van Melchemie onder meer inhielden dat zij niet, althans niet nauwkeurig, op de hoogte was van de wet- en regelgeving ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen als calciumhypochloriet, waarin noodzakelijkerwijs ligt besloten dat het voor haar "bezwaarlijk", want onmogelijk, was om een inschatting, althans een nauwkeurige en zinvolle inschatting, van die veiligheidsrisico's te maken.
3.23 Het onderdeel faalt, reeds omdat het hof kennelijk voor ogen heeft gestaan dat Melchemie zich bij een eigen evaluatie van de veiligheidssituatie met betrekking tot de door haar bij CMI in opslag gegeven voorraden zonodig door (een) deskundige derde(n) had kunnen laten bijstaan.
3.24 Onderdeel 5 klaagt dat rov. 4.23, voor zover inhoudende dat Melchemie niet stelt dat het bezwaarlijk voor haar was om, na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995, te bezien of zij maatregelen moest nemen door bijvoorbeeld bij CMI opgeslagen hoeveelheden stoffen elders op te slaan, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de uitdrukkelijke stelling van Melchemie dat de oorspronkelijk aan de [a-straat 1-2] - dat wil zeggen bij CMI - aanwezige voorraad nooit integraal naar Store-ship had gekund en dat voor een dergelijke hoeveelheid een geschikte alternatieve oplossing niet eenvoudig voorhanden was.
3.25 Het onderdeel kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. De bestreden passage in rov. 4.23 betreft slechts de vraag of Melchemie heeft gesteld dat het voor haar bezwaarlijk was na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995 ook zelf een inschatting te maken van de veiligheidsrisico's in de loodsen waarin haar stoffen waren opgeslagen en te bezien of zij maatregelen moest nemen. Aan de constatering dat Melchemie zulks niet heeft gesteld, doet niet af dat zij wél heeft gesteld dat in voorkomend geval de oorspronkelijk bij CMI aanwezige voorraad nooit integraal naar Store-ship had gekund en dat voor een dergelijke hoeveelheid een geschikte alternatieve oplossing niet eenvoudig voorhanden was. Overigens is de bedoelde stelling niet aan het hof ontgaan, nu de door het hof genoemde voorbeelden van eventueel te treffen maatregelen niet ervan uitgaan dat de oorspronkelijk bij CMI aanwezige voorraad in haar geheel elders zou kunnen worden ondergebracht; het hof heeft gesproken van de mogelijkheid "bij CMI opgeslagen hoeveelheden stoffen elders op te slaan, en/of geen nieuwe hoeveelheden ter opslag aan CMI aan te bieden".
De door het hof aangenomen bijzondere zorgplicht van Melchemie was ertoe beperkt dat Melchemie zich door eigen onderzoek een oordeel over de veiligheidssituatie met betrekking tot de bij CMI in opslag gegeven voorraad zou vormen en zich over eventueel noodzakelijke maatregelen zou beraden. In dat verband dringt zich een parallel op met HR 23 december 2005, LJN: AU3713, NJ 2006, 289, m.nt. MRM, waarin de Hoge Raad overwoog:
"6.3.4 Het oordeel van het hof moet als volgt worden begrepen. Het onzorgvuldig handelen van de Bank jegens de beleggers is daarin gelegen, dat zij vanaf het moment waarop zij zich realiseerde dat mogelijk in strijd met de Wte werd gehandeld niets heeft gedaan om zich daaromtrent zekerheid te verschaffen, welke zekerheid zij zich door onderzoek had kunnen verschaffen. Daardoor heeft de Bank tot het moment waarop de rekening werd gesloten niet al datgene gedaan wat rechtens was vereist om te voorkomen dat de beleggers in die periode werden blootgesteld aan het gevaar dat Safe Haven beleggingsactiviteiten verrichtte waarvoor een vergunning, hoewel vereist krachtens de Wte, ontbrak, welk gevaar zich - blijkens rov. 4.17 en 4.22 - ook heeft verwezenlijkt.
In de gedachtegang van het hof behoefde het zich niet erover uit te laten welke concrete maatregelen de Bank op welk tijdstip had moeten nemen, indien haar uit onderzoek zou zijn gebleken dat Safe Haven een vergunning krachtens de Wte behoefde, maar niet had. Die gedachtegang is, anders dan het onderdeel betoogt, niet onbegrijpelijk of ontoelaatbaar onduidelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Bank nu eenmaal geen onderzoek heeft gedaan, hoewel zij daartoe in de gegeven omstandigheden krachtens haar bijzondere zorgplicht was gehouden, en daardoor het bedoelde gevaar heeft laten voortbestaan en dat de Bank niet heeft aangevoerd dat zij redelijkerwijs geen reële mogelijkheid had om, ook als zij zich door onderzoek ervan zou hebben vergewist dat het gevaar zich had gerealiseerd, aan dat gevaar adequaat een einde te maken."
Ook in de onderhavige zaak heeft het hof zich niet (anders dan bij wijze van voorbeeld) erover uitgelaten welke concrete maatregelen Melchemie op welk tijdstip had moeten nemen indien uit haar eigen beoordeling voortvloeide dat de veiligheidssituatie met betrekking tot de door haar bij CMI in opslag gegeven voorraad onmiddellijke maatregelen vorderde. Bovendien geldt ook in de onderhavige zaak dat Melchemie niet heeft gesteld dat zij geen enkele reële mogelijkheid had om de (door de overtreding van de opslagvoorschriften door CMI toegenomen) kans op verwerkelijking van de bijzondere gevaren van de opslag van calciumhypochloriet althans te beperken, bijvoorbeeld door, zoals het hof kennelijk heeft bedoeld, het onderbrengen van delen van haar voorraad elders of het geleidelijk afbouwen van de bij CMI opgeslagen voorraad door geen nieuwe hoeveelheden ter opslag aan CMI aan te bieden. Weliswaar zouden dergelijke maatregelen (mogelijk) niet iedere kans op verwerkelijking van de bedoelde gevaren hebben uitgesloten, waardoor niet zonder meer van het causale verband tussen het verzaken van de bijzondere zorgplicht die het hof heeft aangenomen en de schade als gevolg van het verlies van de zending paardenhaar van Delbanco in de brand bij CMI op 28 februari 1996 kan worden uitgegaan. Het causale verband tussen het verzaken van de door het hof aangenomen bijzondere zorgplicht en de schade als gevolg van het verlies van de zending paardenhaar van Delbanco is in rov. 4.23 echter niet aan de orde en wordt ook door onderdeel 5 niet aan de orde gesteld.
3.26 Onderdeel 6 stelt dat indien één of meer van de klachten, vervat in onderdelen 1-3, slagen, daarmee tevens de basis aan rov. 4.26 ontvalt.
Ook indien de onderdelen 1-3 niet mochten slagen, is rov. 4.26 volgens het onderdeel rechtens onjuist, althans niet-concludent en/of onvoldoende gemotiveerd. Immers, de (bijzondere) zorgplicht, zoals het hof die in rov. 4.21-4.23 heeft geformuleerd, houdt in dat Melchemie zelf de veiligheidssituatie in ogenschouw diende te nemen en diende te beoordelen óf de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had. De aldus geformuleerde norm houdt niet in dat Melchemie ervoor diende in te staan dat bij CMI een situatie zoals die waardoor de brand heeft kunnen ontstaan, nimmer meer zou kunnen voorkomen, laat staan op welke termijn dat het geval zou dienen te zijn. Bij die stand van zaken staat het causale verband - in de zin van conditio sin qua non-verband - tussen de door het hof aangenomen normschending en het ontstaan van de brand niet vast, zolang niet vaststaat welke maatregelen Melchemie op basis van de door haar uit te voeren beoordeling zou hebben genomen of zou hebben moeten nemen en op welke termijn zulks zou hebben geleid of hebben moeten leiden tot een situatie waarin het ontstaan van de brand op de wijze als waarop zij is ontstaan, uitgesloten zou zijn geweest.
Voor zover het hof - onder meer blijkens zijn overwegingen dat "Melchemie aan(voert) dat (...)" en dat "het enkele feit dat zij er niet bij was (...) dan niet (volstaat) om het causaal verband (...) met succes te betwisten" - heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat Melchemie het causale verband onvoldoende zou hebben betwist, zodat het als vaststaand dient te worden aangenomen, is het hof van te strenge, in een geval als het onderhavige aan de motivering van de betwisting van het causale verband te stellen eisen uitgegaan, nu vóór de uitspraak van het hof niet duidelijk was hoe de door Melchemie in acht te nemen zorgplicht door het hof zou worden ingevuld, zodat Melchemie haar betwisting van het causale verband daarop ook niet kon toespitsen althans afstemmen.
Voor zover het hof bij zijn oordeel is uitgegaan van de toepasselijkheid van de omkeringsregel heeft het hof volgens het middel (eveneens) van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aangezien de omkeringsregel in een geval als het onderhavige - waarin de aangesprokene niet zelf de gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen - toepassing mist, althans het hof niet heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en dat het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.
3.27 Met slagen van de onderdelen 1 en 3 komt, zoals het onderdeel betoogt, de basis (de door het hof aangenomen bijzondere zorgplicht van Melchemie) aan het in rov. 4.26 vervatte oordeel te ontvallen. In zoverre is ook onderdeel 6 terecht voorgesteld. Overigens meen ik dat het onderdeel terecht klaagt over het oordeel van het hof, dat causaliteit tussen het verzaken van de door het hof aangenomen, bijzondere zorgplicht van Melchemie en het ontstaan van de brand heeft aangenomen.
Het hof heeft (op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep) in aanmerking genomen dat Melchemie heeft aangevoerd dat zij niet heeft gezien en niet behoefde te weten dat in februari 1996 ten onrechte chemicaliën naast elkaar waren geplaatst die elkaar niet verdroegen en dat Melchemie daaraan de conclusie heeft verbonden dat zij de brand hoe dan ook niet had kunnen voorkomen. Volgens het hof gaat dat verweer niet op, nu de schending door Melchemie van de volgens het hof op haar rustende zorgplicht juist hierin bestond dat zij onvoldoende heeft gedaan om het risico tegen te gaan dat CMI situaties bij de opslag liet bestaan zoals de situatie waardoor de brand heeft kunnen ontstaan, en het enkele feit dat Melchemie "er niet bij was" toen het incident met het blauwe vat chemicaliën zich voordeed, "dan" niet volstaat om het causale verband tussen de schending van haar zorgplicht en het ontstaan van de brand met succes te betwisten.
De gedachtegang van het hof is niet concludent, in de eerste plaats omdat niet zonder meer (en óók niet als van toepasselijkheid van de zogenaamde omkeringsregel zou moeten worden uitgegaan(51)) valt in te zien waarom het enkele feit van schending van de door het hof aangenomen bijzondere zorgplicht verdere discussie over het causale verband tussen die schending en de in februari 1996 ontstane brand zou uitsluiten. De geschonden zorgplicht strekte (ook in de bewoordingen van rov. 4.26) ertoe het risico van met de voorschriften strijdige situaties tegen te gaan; daarmee is echter niet gegeven dat Melchemie had moeten (of zelfs maar had kunnen) uitsluiten dat zulke situaties zich niettemin zouden voordoen, kennelijk ook niet naar de opvatting van het hof zelf, dat immers als voorbeelden van mogelijk te nemen maatregelen een slechts gedeeltelijke verplaatsing van de voorraad van Melchemie en een slechts geleidelijke afbouw van die voorraad heeft genoemd.
In de tweede plaats valt niet zonder meer in te zien waarom Melchemie in haar stelplicht met betrekking tot de betwisting van het causale verband zou zijn tekortgeschoten. Melchemie heeft niet volstaan met de stelling dat zij "er niet bij was" toen het blauwe vat met chemicaliën op het vat met calciumhypochloriet viel, maar heeft ook, naar het hof zelf in rov. 4.26 heeft gereleveerd, aangevoerd dat zij niet wist en niet behoefde te weten dat in februari 1996 chemicaliën naast elkaar waren geplaatst en dat zij de brand hoe dan ook (dus kennelijk ook bij inachtneming van de volgens het hof op haar rustende zorgplicht) niet had kunnen voorkomen. Die stellingen winnen aan reliëf in het licht van hetgeen Melchemie in de conclusie van antwoord met betrekking tot het incident in februari 1996 heeft aangevoerd:
"14. De brand is destijds vermoedelijk ontstaan - zo is na de brand gebleken - door bij het werken met een heftruck laten vallen van een vat met vloeistof in de gevarenklasse 8 en 3, dat wil zeggen bijtend en ontvlambaar, op of tegen een pallet met choorproducten, waarna een reactie is ontstaan met een vettige vloer of iets dergelijks. De vaten met vloeistof, waarvan het vermoedelijk gevallen vat met vloeistof deel uitmaakte, hadden daar niet in combinatie met pallets met chloorproducten mogen staan. Die vaten bleken daags tevoren door CMI daar te zijn neergezet. Melchemie had dat dus al reeds praktisch niet - tijdig voor de brand - kunnen signaleren. Loods 29 was niet een loods waar alleen maar product inkwam. Er werden - uiteraard telkens goederen uitgeslagen. Hoe dan ook: niet valt in te zien hoe Melchemie realiter déze brand - de onderliggende oorzaak - tijdig had kunnen wegnemen. Daar was CMI voor."
In wezen kwam het standpunt van Melchemie erop neer dat het incident met de bij de vaten met chloorproducten geplaatste vaten met chemicaliën en het op de vaten met calciumhypochloriet vallende vat met chemicaliën slechts had kunnen worden voorkomen indien zij permanent toezicht op de gang van zaken in de loods (waar voortdurend goederen werden in- en uitgeslagen) had gehouden, en dat zulks - zelfs niet in het kader van een bijzondere zorgplicht - niet van haar kon worden gevergd. Tegen die achtergrond snijdt ook de samenvatting van het betrokken verweer door het hof, luidende dat Melchemie "er niet bij was" toen een blauw vat met chemicaliën op een vat met calciumhypochloriet viel, hout. Dat, zoals het hof (mogelijk) heeft geoordeeld, Melchemie aldus niet aan haar stelplicht heeft voldaan, acht ik, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
3.28 Onderdeel 7 ten slotte bestrijdt het oordeel in rov. 4.15 met betrekking tot de (veronderstelde) kennis van Melchemie van de bij opslag van calciumhypochloriet in acht te nemen voorschriften, voor zover dat oordeel aldus moet worden opgevat dat Melchemie niet alleen van het bestaan (en de globale inhoud), maar ook van de precieze inhoud van de CPR 15-2 Richtlijn op de hoogte was.
3.29 Voor een dergelijke uitleg van rov. 4.15 biedt het bestreden arrest geen enkele steun, zodat het laatste onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag moet falen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Zie de rov. 3, 4.1 en 4.10-4.12 van het bestreden arrest, in samenhang met de rov. 2.1-2.9 van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2007.
2 Anders dan de wetgever in art. 6:175 lid 1 BWPro en het hof in het bestreden arrest volg ik de (sedert 1995) in de Woordenlijst Nederlandse taal voorgeschreven schrijfwijze ("oxideren" in plaats van "oxyderen").
3 Rov. 4.10 van het bestreden arrest.
4 Rov. 4.12 van het bestreden arrest. In de schriftelijke toelichting van de mrs. Van der Wiel en Fruytier onder 5.3.2 wordt rov. 4.12 mijns inziens ten onrechte aldus opgevat, dat Melchemie in de bedoelde periode tussen de 1.100 en 1.200 ton chemische stoffen in de loodsen 27 en 29 heeft laten opslaan. Over het moment van opslag van de bij de brand in de loodsen aanwezige stoffen heeft het hof niets vastgesteld.
5 De cassatiedagvaarding is op 21 juli 2009 uitgebracht. Het bestreden arrest dateert van 21 april 2009.
7 HR 5 november 1965, LJN: AB7079, NJ 1966, 136, m.nt. GJS. Zie voorts de jurisprudentie genoemd in Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 87.4 (slot) (K.J.O. Jansen), waarin de Hoge Raad naar de Kelderluikcriteria verwijst.
8 Zie over deze criteria ook J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (2009), p. 48-49 (G.E. van Maanen), en Asser-Hartkamp 4-III (2006), nr. 45.
10 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 56-57; K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 10.
11 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 57; K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 12-14.
12 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 57-58; K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 14-18, p. 39-41 (ten aanzien van gevaarlijke stoffen, in welk verband Jansen onder meer wijst op HR 8 januari 1982, LJN: AG4306, NJ 1982, 614, m.nt. CJHB (Natronloogarrest)), en p. 51 (ten aanzien van personen met bijzondere zorgplichten). Zie over de kennis van het gevaar van gevaarlijke stoffen voorts Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 91 (K.J.O. Jansen).
13 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 59.
14 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 58-59; K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 19-20, p. 25, p. 38-39, p. 41-42 (ten aanzien van gevaarlijke stoffen), p. 47-49 (ten aanzien van zuiver nalaten), p. 51 (ten aanzien van personen met bijzondere zorgplichten) en p. 66-69; C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nrs. 806 en 904.
15 K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 59.
18 T.F.E. Tjong Tjin Tai, Gevaarzetting en risicoverhoging, WPNR 2005, p. 364-374, in het bijzonder p. 367.
19 T.F.E. Tjong Tjin Tai, Gevaarzetting en risicoverhoging, WPNR 2005, p. 364-374, in het bijzonder p. 369.
20 Zie ook G.E. van Maanen, De Nederlandse kelderluikarresten. Al meer dan honderd jaar - rechtseconomisch (!) - op de goede weg in Europa!, NTBR 2008, p. 42-49, in het bijzonder p. 43; Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 88.6 (p. 711-712) (K.J.O. Jansen).
21 J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (2009), p. 211 (J. Spier); HR 25 juni 1993, LJN: AD1907, NJ 1993, 686, m.nt. PAS; HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2721, NJ 1999, 683, m.nt. JBMV; HR 17 februari 2006, LJN: AU6927, NJ 2007, 285, m.nt. C.J.H. Brunner; vgl. voorts HR 11 november 2005, LJN: AU3313, NJ 2008, 460, rov. 3.3.2.
22 Vgl. Asser-Hartkamp 4-III (2006), nr. 46, p. 63.
23 HR 9 juli 2010, LJN: BL3262, JOR 2010, 295, m.nt. B.P.M. van Ravels, rov. 4.6-4.7. Zie ook HR 17 februari 2006, LJN: AU6927, NJ 2007, 285, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.7. K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 61-62, acht generalisering slechts toelaatbaar, indien het kenbare en het niet-kenbare risico naar aard en ernst zozeer van gelijke orde zijn, dat de kennis van de laedens omtrent het kenbare risico voldoende is geweest voor een (onbewuste) afstemming van zijn gedrag op het andere niet-kenbare risico. In twijfelgevallen zal de rechter zich volgens Jansen moeten afvragen of hij door generalisering de laedens niet in feite afrekent op een risico waarop deze zijn gedrag redelijkerwijs niet heeft kunnen afstemmen, in welk geval generalisering zou zijn uitgesloten.
24 HR 12 mei 1995 ('t Ruige Veld), LJN: ZC1725, NJ 1996, 118, m.nt. JdB, rov. 3.7; vgl. ook HR 16 juni 2000, LJN: AA6233, NJ 2000, 584, m.nt CJHB. Zie daarover K.J.O. Jansen, Wat niet weet, wat niet deert?, RM Themis 2006, p. 54-63, in het bijzonder p. 58-59; J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (2009), p. 56-57 (G.E. van Maanen).
26 J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (2009), p. 58-59 (G.E. van Maanen). Zie ook Losbl. Onrechtmatige Daad 1 (K.J.O. Jansen), art. 162 lidPro 2, aant. 89.4; C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nr. 1102. Vgl. ook de conclusie van A-G Timmerman onder 3.17 voor HR 13 oktober 2006, LJN: AW2077, NJ 2008, 527: "De Kelderluik-criteria zijn naar hun aard context-gebonden. De mate van strengheid van de zorgvuldigheidsnorm richt zich naar de context waarin de criteria worden toegepast. In geval van aansprakelijkstelling van een toezichthouder is er sprake van een afgeleide aansprakelijkheid. De toezichthouder is niet de primaire veroorzaker van de schade. Het is derhalve van belang dat bij toetsing aan de zorgvuldigheidsnorm acht wordt geslagen op het feit dat de onder toezicht gestelde primair verantwoordelijk is voor de schadeveroorzakende gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende schade. Een toezichthouder kan nimmer worden verweten dat de schade is ontstaan. Hem kan slechts worden verweten dat hij het ontstaan van de schade niet heeft voorkomen, terwijl dit van hem in het concrete geval wel verwacht mocht worden."
27 K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 46-47.
28 Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 89.4 en 90.2 (K.J.O. Jansen); K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 49-51.
30 I. Giesen, Aansprakelijkheid na een nalaten (2004), p. 17-18, alsmede Toezicht en aansprakelijkheid (2005), p. 65; overigens staat Giesen (Toezicht en aansprakelijkheid, p. 73-74) kritisch tegenover het onderscheid tussen aansprakelijkheid voor een handelen of een nalaten. Zie over de relatie met een roerende zaak ook C.C. van Dam, Aansprakelijkheid voor nalaten (1995), p. 65-71, waar hij erop wijst dat de rechtvaardiging van de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid ligt in het feit dat de eigenaar of gebruiker beschikt over mogelijkheden (kunde) om gevaarlijke situaties te vermijden (p. 71). Zie voorts C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nr. 1101, over kwalitatieve aansprakelijkheid, onder meer van de toezichthouder (in nr. 1302 merkt Van Dam degene die zeggenschap over de roerende zaak heeft en over de mogelijkheden beschikt de risico's van de zaak te voorkomen, op te heffen of te beperken, als toezichthouder aan). De rechtvaardiging van diens verantwoordelijkheid ligt in zijn kennis van de risico's die zich kunnen voordoen en in zijn mogelijkheden (kunde) om deze risico's te voorkomen, op te heffen of te beperken. Bij de potentiële benadeelde ontbreekt deze kennis en kunde veelal of zal hij op de risico's onvoldoende attent zijn of kunnen zijn. Naast deze voorsprong in kennis en kunde speelt bij een bedrijfsmatige toezichthouder het profijtbeginsel een rol. Wie uit professionele of commerciële overwegingen van zaken of personen gebruik maakt en daarvan de lusten geniet, zal daarvan eerder de lasten moeten dragen. Dat leidt naast vormen van risico-aansprakelijkheid ook tot scherpe zorgplichten, bijvoorbeeld in het kader van art. 7:658 BWPro.
32 J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (2009), p. 54-56 (G.E. van Maanen); Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 90.3 en 90.4 (K.J.O. Jansen).
33 T.F.E. Tjong Tjin Tai, Nalaten als onrechtmatige daad, NJB 2007, p. 2540-2546.
34 T.F.E. Tjong Tjin Tai, Nalaten als onrechtmatige daad, NJB 2007, p. 2540-2546, in het bijzonder p. 2544-2545.
35 K.J.O. Jansen, Het subjectieve element van de onrechtmatigheid, NTBR 2007, p. 222-228, in het bijzonder p. 224-225 en Onrechtmatige Daad 1, art. 162 lidPro 2, aant. 89.3 slot (K.J.O. Jansen).
36 K.J.O. Jansen, Het kennisvereiste bij gevaarzetting (2006), p. 48.
37 T.F.E. Tjong Tjin Tai, Nalaten als onrechtmatige daad, NJB 2007, p. 2540-2546, in het bijzonder p. 2546. Ook C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nr. 910, lijkt een meer objectieve toets mogelijk te achten, indien sprake is van een speciale relatie met een zaak of de persoon die de schade veroorzaakt.
38 Vgl. Kamerstukken II 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 8: "In een reeks van bepalingen zijn de risicoaansprakelijkheden van afdeling 6.3.2, die van dit ontwerp daaronder begrepen, gekanaliseerd, in dier voege dat in beginsel ter zake van één gebeurtenis niet op meer personen tegelijk een risicoaansprakelijkheid rust." Ook J. Spier en C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (1995), p. 32, stellen dat het bij kanalisatie uitdrukkelijk slechts om samenloop van risicoaansprakelijkheden gaat en dat de minister op verschillende plaatsen duidelijk maakt dat art. 6:162 BWPro onverkort ten dienste staat van de benadeelde.
39 K.J.O. Jansen, Samenloop en kanalisering van aansprakelijkheid. Over de exclusieve aansprakelijkheid van bepaalde personen, mede in het licht van de toezichthoudersproblematiek (2007), in: I.S.J. Houben e.a., Samenloop (2007), p. 165-186, in het bijzonder 178-179, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 10. Ook C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nrs. 1302 en 1304, lijkt uit te gaan van een aanvullende werking van art. 6:162 BWPro ten opzichte van art. 6:175 BWPro. Zo ook C.J.M. Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 271 en 340-343, en Onrechtmatige Daad 2, art. 6:175, aant. 13 (E. Bauw), met verwijzing naar het in de onderhavige zaak gewezen vonnis van de rechtbank.
45 C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht (2000), nr. 1205, neemt bij de behandeling van de aansprakelijkheid voor onroerende zaken voor het Nederlandse recht aan dat de (gedeeltelijke) overdracht van de zorgplichten door een toezichthouder aan een derde de aansprakelijkheid van de toezichthouder onverlet laat. Met andere woorden: een dergelijke afspraak heeft geen externe werking. Dat is slechts anders indien de toezichthouder zijn zeggenschap over de onroerende zaak en de mogelijkheden om daarop maatregelen te nemen daadwerkelijk verliest. Het toezichthouderschap komt dan feitelijk op een ander te liggen. In de praktijk zal een dergelijke feitelijke overdracht van de zorgplicht echter niet snel voorkomen. Van Dam verwijst bij de behandeling van de aansprakelijkheid voor roerende zaken (in nr. 1302) naar de hiervoor bedoelde passage.
46 Zie hiervóór onder 2.2.
47 De term is ontleend aan K.J.O. Jansen, Het subjectieve element van de onrechtmatigheid, NTBR 2007, p. 222-228, in het bijzonder p. 224-225, die opmerkt dat van aansprakelijkheid voor zuiver nalaten, ook voor volwassenen, slechts sprake kan zijn, indien de ernst van het betreffende gevaar "tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen". In voetnoot 24 merkt hij op: "De gedachte dat in gevallen van zuiver nalaten voor volwassenen een strengere norm geldt dan voor kinderen, is dus onjuist. Wel is het zo, dat bij volwassenen in het algemeen sprake is van een hoger gevaarsbewustzijn dan bij kinderen, zodat in die zin een zuiver nalaten van een volwassene sneller onrechtmatig zal zijn dan dat van een kind."
48 Anders dan Delbanco c.s. tot uitgangspunt nemen (zie schriftelijke toelichting mrs. Van der Wiel en Fruytier onder 5.3.3, voetnoot 26) heeft het hof naar mijn mening niet bedoeld dat door te hoge opstapeling de verpakkingen van het hypochloriet zijn beschadigd en dat daardoor, nadat daarop het blauwe vat chemicaliën viel, het calciumhypochloriet uit de verpakking kon geraken. Het hof heeft in rov. 4.10 slechts vastgesteld dat een blauw vat met chemicaliën met een gewicht van 60 kilogram op vaten met calciumhypochloriet is gevallen, waarbij calciumhypochloriet uit de verpakking is geraakt. Het ligt ook weinig voor de hand dat juist de getroffen vaten met calciumhypochloriet zelf te hoog waren opgestapeld, nu een ander vat met chemicaliën daar bovenop is gevallen.
49 Zie rov. 4.21 ("(...) dat Melchemie, als bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof die de risico's van de oxyderende eigenschappen geacht werd te kennen, zelf poolshoogte dienen te nemen bij CMI om de veiligheidssituatie in ogenschouw te kunnen nemen en te beoordelen of de aangetroffen situatie uit veiligheidsoogpunt gevolgen moest hebben voor de voorraad die CMI voor haar in opslag had." en "(...) omdat het erom gaat dat Melchemie na kennisneming van het bezoekrapport zich uit eigen waarneming op de hoogte had dienen te stellen van de veiligheidssituatie op dat moment."), rov. 23 ("Melchemie stelt niet dat het bezwaarlijk voor haar was om, na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995, ook zelf een inschatting te maken van de veiligheidsrisico's in de loodsen waarin haar stoffen waren opgeslagen en te bezien of zij maatregelen moest nemen (...)") en rov. 4.24 ("Het hof concludeert op grond van hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.23 is overwogen, dat van Melchemie mocht worden verlangd dat zij zich na kennisneming van het rapport van 20 juni 1995 op de hoogte stelde van de veiligheidssituatie in de loodsen van CMI waarin haar oxyderende stoffen waren opgeslagen.") In een enigszins andere richting wijst rov. 4.22, waarin het hof oordeelde dat "Melchemie zich als eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de oxyderende stof in de tussentijd met CMI diende te verstaan over de door DCMR geconstateerde tekortkomingen."
50 Het onderdeel verwijst hier kennelijk abusievelijk naar onderdeel 3.
51 Bij de door het hof aangenomen stand van zaken, inhoudende dat Melchemie bekend was (c.q. had moeten zijn) (i) met de bijzondere gevaren die in algemene zin aan (de opslag van) calciumhypochloriet waren verbonden, waaronder brandgevaar, (ii) met het feit dat de voorschriften met betrekking tot de opslag van calciumhypochloriet mede op beperking van de kans op verwerkelijking van die gevaren waren gericht en (iii) met het enkele feit dat CMI voorschriften met betrekking tot de opslag van calciumhypochloriet had overtreden, kan mijns inziens niet worden geoordeeld dat de door het hof aangenomen zorgplicht (tot onderzoek en tot het zonodig treffen van maatregelen als de veiligheidssituatie met betrekking tot de opslag daartoe zou nopen), ertoe strekte een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en dat dit gevaar door schending van de norm in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot.