ECLI:NL:PHR:2011:BP0568
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedwongen ontheffing ouderlijk gezag wegens bedreiging minderjarige
De moeder heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 maart 2010, waarin het hof de ontheffing van het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft bekrachtigd. De rechtbank had eerder op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming de moeder ontheven van het gezag en Bureau Jeugdzorg benoemd tot voogd.
Het cassatieberoep bevat één middel met twee klachten. De eerste klacht betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke, geestelijke belangen of gezondheid van de minderjarige zoals vereist is op grond van art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro. Het hof stelde echter vast dat de voortdurende spanningen en onzekerheid over het opvoedingsperspectief, mede door de jaarlijkse verlengingen van maatregelen, een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van het kind.
De tweede klacht stelt dat de moeder niet in de gelegenheid is gesteld voldoende hechting met de minderjarige op te bouwen door Bureau Jeugdzorg. Deze klacht faalt wegens gebrek aan belang, omdat dit de vastgestelde bedreiging van de stabiliteit en continuïteit van de opvoedingssituatie niet wegneemt.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep niet slaagt en wijst het beroep af met toepassing van art. 81 RO Pro, waarmee de ontheffing van het ouderlijk gezag definitief blijft staan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder is verworpen en de ontheffing van het ouderlijk gezag blijft in stand.