ECLI:NL:PHR:2011:BP1279
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking van schadevordering benadeelde partij in strafproces na civiele procedure
In deze zaak stond de vraag centraal in hoeverre een benadeelde partij in hoger beroep in een strafzaak haar schadevordering mag uitbreiden of verhogen, terwijl over die vordering reeds een civiele procedure heeft plaatsgevonden. De benadeelde partij had in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd en deels toegewezen gekregen. In hoger beroep werd een nieuwe schadepost, de afsluitprovisie van een hypotheek, toegevoegd.
De Hoge Raad bevestigt dat de benadeelde partij in hoger beroep geen nieuwe schadeposten mag opvoeren die niet in eerste aanleg zijn genoemd en ook het bedrag van reeds opgevoerde schadeposten niet mag verhogen. Verder oordeelt de Hoge Raad dat indien de civiele rechter al over de schadevordering heeft beslist of de vordering nog aanhangig is, de strafrechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet verklaren voor die vordering wegens gebrek aan belang.
Het hof had echter een nieuwe schadepost toegelaten en onvoldoende vastgesteld in hoeverre de civiele rechter zich over dezelfde vordering heeft gebogen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Hiermee wordt de verhouding tussen civiele en strafrechtelijke behandeling van schadevorderingen verduidelijkt en beperkt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de schadevordering en schadevergoedingsmaatregel betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.