ECLI:NL:PHR:2011:BP2332
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging samenleving en financiële afwikkeling bij samenwoning met verrekening
Partijen, die sinds circa 1972 een affectieve relatie hadden en sinds 1981 een notariële samenlevingsovereenkomst, beëindigden hun samenwoning in maart 2001. De vrouw vorderde vergoeding en verdeling van financiële middelen na beëindiging van de relatie. De rechtbank veroordeelde de man tot betaling van een bedrag aan de vrouw, waarbij het verweer van de man tot verrekening met een tegenvordering wegens geldopnamen werd afgewezen.
In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de man tot betaling van een hoger bedrag aan de vrouw. Het hof oordeelde dat de man geen gespecificeerde tegenvordering had ingesteld en dat de vrouw aannemelijk had gemaakt dat de geldopnamen door haar waren gebruikt voor gezamenlijke kosten. Het beroep op verrekening werd daarom afgewezen.
De man stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld door het verweer als verrekening te kwalificeren en dat de initiële vordering van de vrouw verminderd moest worden met de opgenomen bedragen die zij niet kon verantwoorden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat verrekening slechts kan plaatsvinden indien de tegenvordering eenvoudig vaststaat en voldoende is onderbouwd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand zonder verrekening van de geldopnamen.