ECLI:NL:PHR:2011:BP3279
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling door opvoedingssituatie en omgangsproblemen
De zaak betreft een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige zoon, geboren uit een relatie tussen de moeder en vader die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De vader startte een procedure voor een omgangsregeling, waarna de kinderrechter een tijdelijke omgangsregeling vaststelde en de Raad voor de Kinderbescherming inschakelde voor onderzoek.
De kinderrechter constateerde dat de moeder de omgangsregeling frustreerde en verzocht de Raad te onderzoeken of een beschermende maatregel noodzakelijk was. De Raad adviseerde ondertoezichtstelling, welke door de kinderrechter werd opgelegd en door het gerechtshof werd bekrachtigd.
De moeder stelde cassatie in met klachten over de motivering en schending van artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:254 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de ondertoezichtstelling niet uitsluitend was gericht op de omgangsregeling, maar ook op de opvoedingssituatie. Het hof had gemotiveerd dat het gedrag van de moeder en het ontbreken van contact met de vader een ernstige bedreiging vormden voor de geestelijke ontwikkeling van de zoon.
De Hoge Raad verwierp de klachten, benadrukte dat de motivering begrijpelijk en voldoende was, en bevestigde dat de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd was gezien het risico op verdere schade aan de ontwikkeling van de zoon. De klachten over het gebruik van de maatregel voor psychologisch onderzoek werden eveneens ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ondertoezichtstelling van de minderjarige zoon.