ECLI:NL:PHR:2011:BP3839
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de wettigheid van de beëdiging bij meineed
In deze zaak werd de verdachte door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens het afleggen van valse verklaringen onder ede (meineed). De verdachte stelde in cassatie dat niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat zij op de wettelijk voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd bij het verhoor door de rechter-commissaris op 1 augustus 2005.
De Hoge Raad oordeelde dat uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris voldoende blijkt dat de verdachte de belofte op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft afgelegd. Tevens werd geoordeeld dat de verdediging in appel geen verweer heeft gevoerd dat de belofte niet op de juiste wijze was afgelegd, en dat een dergelijk verweer in cassatie niet kan worden ingebracht omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.
Daarnaast werd een soortgelijke klacht over de beëdiging op 14 september 2005 ten overstaan van de voorzitter van de meervoudige strafkamer verworpen. Het hof was niet verplicht het proces-verbaal van die zitting als bewijs te gebruiken, en het niet gebruiken daarvan betekent niet dat de beëdiging niet heeft plaatsgevonden.
De middelen van cassatie faalden en het beroep werd verworpen. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de wettigheid van de beëdiging en de veroordeling wegens meineed.