ECLI:NL:PHR:2011:BP4025
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsanering wegens gebrek aan goed vertrouwen
De zaak betreft een verzoeker die bij de rechtbank Haarlem een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering indiende, maar dit verzoek werd afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden aan het CJIB in de afgelopen vijf jaar.
De verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. De verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Hij voerde onder meer aan dat het hof niet op de ontvankelijkheidsvraag had mogen terugkomen en dat het oordeel van het hof een verrassingsoordeel was omdat hij pas bij het hof met bepaalde feiten werd geconfronteerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had beoordeeld of de verzoeker te goeder trouw was geweest ten aanzien van alle schulden, ook die waarvan de schuldeiser onbekend was. Het hof hoefde de verzoeker niet vooraf in te lichten over de bespreking van deze schuld en het oordeel was geen verrassing. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep geen grond had en verwierp het.
De uitspraak bevestigt het belang van het aantonen van goed vertrouwen bij het ontstaan of onbetaald laten van schulden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling en verduidelijkt de beoordelingsruimte van het hof in dit kader.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering wordt afgewezen.