ECLI:NL:PHR:2011:BP4794
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 27 BUB 1999 inzake voortgezette verzekering voor kinderbijslag onder de AKW
Belanghebbende, een in Marokko wonende postactieve met een Nederlandse WAO-uitkering, vroeg kinderbijslag aan bij de SVB. De SVB wees dit af omdat hij niet verzekerd zou zijn voor de AKW sinds 1 januari 2000, nu hij niet voldaan zou hebben aan de voorwaarde van artikel 27 BUB Pro 1999 dat hij recht had op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999, waarbij de CRvB deze uitleg volgde.
De Hoge Raad onderzocht de betekenis van 'recht had op kinderbijslag' in artikel 27 BUB Pro 1999. De Raad onderscheidde twee interpretaties: de leer van het abstracte recht (recht van rechtswege zonder toekenning) en de leer van het concrete recht (recht dat daadwerkelijk is toegekend of kan worden toegekend). De CRvB had de leer van het concrete recht gevolgd, wat tot gevolg had dat belanghebbende geen voortgezette verzekering voor de AKW had.
De Hoge Raad concludeert dat de leer van het abstracte recht beter past bij het systeem en de woordkeuze van de AKW en het overgangsrecht in het BUB 1999. Het recht op kinderbijslag bestaat van rechtswege en is niet afhankelijk van een aanvraag of toekenning. Daarom moet artikel 27 BUB Pro 1999 zo worden uitgelegd dat het abstracte recht op kinderbijslag voldoende is voor voortgezette verzekering. De zaak wordt terugverwezen naar de CRvB voor verdere beoordeling van overige voorwaarden en vaststelling van het bedrag.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de AKW en het BUB 1999 voor niet-ingezeten postactieven met Nederlandse sociale verzekeringsuitkeringen en bevestigt dat het recht op kinderbijslag niet afhankelijk is van een formele toekenning voor voortzetting van de verzekering.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling van het recht op kinderbijslag volgens het abstracte recht.