ECLI:NL:PHR:2011:BP4801
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt peildatum bij verdeling beperkte huwelijksgoederengemeenschap
De zaak betreft een cassatieberoep van de man tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2009, waarin het hof een tussenvonnis en eindvonnis van de rechtbank Rotterdam inzake de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw heeft bekrachtigd. Het hof bepaalde dat de peildatum voor de waardering van de goederen het moment van feitelijke verdeling is.
De vrouw is in cassatie niet verschenen en verstek is tegen haar verleend. Het cassatieberoep van de man berust op twee middelen: een motiveringsklacht over het oordeel van het hof dat geen concrete feiten zijn gesteld om van de hoofdregel af te wijken, en een rechtsklacht dat de hoofdregel niet zou gelden in een vernietigingsprocedure wegens benadeling.
De Hoge Raad oordeelt dat de stellingen van de man geen concrete feiten bevatten die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen en dat de klacht onvoldoende is gespecificeerd. Voorts wijst de Hoge Raad het beroep af omdat de hoofdregel dat de peildatum de datum van feitelijke verdeling is ook geldt bij verdeling na vernietiging wegens benadeling, conform eerdere jurisprudentie.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep niet tot cassatie kan leiden en wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.