ECLI:NL:PHR:2011:BP4803

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04523
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54l OwArt. 54m OwArt. 54f OwArt. 53 OwArt. 52 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late betekening in onteigeningsprocedure

In deze zaak heeft eiser bij exploot van 5 oktober 2010 aan de gemeente aangezegd cassatie te hebben ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 augustus 2010 in een onteigeningsprocedure. De gemeente stelde dat de cassatiedagvaarding niet tijdig was uitgebracht, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk zou zijn.

De Hoge Raad overwoog dat het vonnis van de rechtbank een vervroegde uitspraak over de onteigening betrof, waarbij de schadeloosstelling nog niet definitief was vastgesteld. Hierdoor zijn de termijnen van art. 54l lid 1 en art. 53 lid 1 van Pro de Onteigeningswet van toepassing, die een strikte termijn van twee plus twee weken voorschrijven voor het instellen van cassatie en het betekenen van de dagvaarding.

De cassatiedagvaarding was pas op 5 oktober 2010 betekend, terwijl de termijn op 8 september 2010 was verstreken. De Hoge Raad oordeelde dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, ook al stond in het dictum van het vonnis niet expliciet vermeld dat het om een onteigening bij vervroeging ging. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad benadrukte dat het belang van de wederpartij bij de termijnoverschrijding niet relevant is voor de ontvankelijkheid, vanwege het stringente karakter van de termijnen in onteigeningsprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betekening van de cassatiedagvaarding.

Conclusie

10/04523
Mr L. Strikwerda
Zt. 11 febr. 2011
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Gemeente Overbetuwe
Edelhoogachtbaar College,
1. Eiser tot cassatie, hierna: [eiser], heeft bij exploot van 5 oktober 2010 aan verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, aangezegd dat hij beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het op 11 augustus 2010 uitgesproken vonnis van de rechtbank Arnhem in de onteigeningsprocedure tussen [eiser] als gedaagde en de Gemeente als eiseres. Bij het exploot is tevens aan de Gemeente betekend een verklaring van 19 augustus 2010 waarbij [eiser] verklaard heeft cassatie in te stellen tegen voormeld vonnis, en is de Gemeente voorts gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 22 oktober 2010.
2. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord primair tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep geconcludeerd.
3. [Eiser] heeft bij conclusie van antwoord in het incident het door de Gemeente aangevoerde ontvankelijkheidsverweer bestreden.
4. Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd voor arrest op het ontvankelijkheidsverweer.
5. De Gemeente heeft haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] in diens cassatieberoep gegrond op de omstandigheid dat de cassatiedagvaarding niet tijdig zou zijn uitgebracht. Daartoe heeft de Gemeente gesteld dat zij bij de inleidende dagvaarding bij vervroeging een uitspraak over de onteigening heeft gevorderd, zodat het hier gaat om een geval als bedoeld in art. 54f Onteigeningswet (Ow). Gelet op het bepaalde in art. 54l lid 1 jo. art. 53 lid 1 Ow Pro bedraagt de termijn in dat geval twee plus twee weken: uiterlijk binnen twee weken na de datum van het vonnis dient de verklaring inhoudende dat cassatieberoep wordt ingesteld te worden afgelegd en binnen twee weken na het verstrijken van de termijn voor het afleggen van die verklaring dient de cassatiedagvaarding uiterlijk te worden betekend. De termijn verstreek derhalve op 8 september 2010, zodat, nu de cassatiedagvaarding pas op 5 oktober 2010 is betekend, de cassatiedagvaarding te laat is uitgebracht, aldus de Gemeente.
6. [Eiser] heeft het ontvankelijkheidsverweer van de Gemeente op verschillende gronden bestreden. Primair heeft [eiser] betwist dat sprake is van een onteigeningsvonnis als bedoeld in art. 54i Ow, aangezien de rechtbank blijkens het dictum in de hoofdzaak niet de "onteigening bij vervroeging" maar de "onteigening ten algemene nutte" heeft uitgesproken. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat, indien en voor zover er sprake zou zijn van termijnoverschrijding, deze verschoonbaar is. Meer subsidiair heeft [eiser] betwist dat de Gemeente in haar belangen is geschaad.
7. Het ontvankelijkheidsverweer is door de Gemeente m.i. terecht voorgesteld.
8. [Eiser] heeft op 19 augustus 2010, derhalve tijdig (art. 52 lid 2 en Pro 3 Ow), de verklaring omtrent het instellen van beroep in cassatie ter griffie van de rechtbank Arnhem afgelegd. Ingevolge art. 53 lid 3 Ow Pro dient deze verklaring binnen zes weken na afloop van de in art. 52 lid 2 Ow Pro bedoelde termijn van twee weken met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij te worden betekend, vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting. Gaat het om een vonnis waarbij op de voet van de regeling in Afdeling 2 van Hoofdstuk IIIA van Titel I (art. 54f e.v.) van de Onteigeningswet vervroegde uitspraak over de onteigening is gedaan, dan zijn ingevolge art. 54l lid 1 Ow de artt. 52 en 53 Ow van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in het eerste lid van art. 53 Ow Pro genoemde termijn (de termijn waarbinnen de betekening van de verklaring moet plaatsvinden) is verkort en slechts twee weken bedraagt. Vgl. J.F. de Groot, Enkele aspecten van de cassatieprocedure in onteigeningszaken, TCR 1995, blz. 80 e.v., blz. 80/81.
9. Het thans bestreden vonnis van de rechtbank is een vonnis waarbij vervroegde uitspraak over de onteigening is gedaan. De Gemeente heeft immers bij de inleidende dagvaarding gevorderd dat de rechtbank de onteigening vervroegd uitspreekt en de rechtbank heeft daaraan gevolg gegeven (zie ook r.o. 3.7 van het vonnis) door bij haar vonnis de onteigening uit te spreken zonder dat de schadeloosstelling definitief is vastgesteld. Daardoor is het vonnis van de rechtbank een vonnis waarbij vervroegde uitspraak over de onteigening is gedaan als bedoeld in art. 54f e.v. Ow. Vgl. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, 3e dr. 2003, blz. 4, 39 en 57/58. Hieraan doet niet af dat in het dictum van het vonnis niet is vermeld dat de onteigening bij vervroeging wordt uitgesproken.
10. Waar het vonnis van de rechtbank moet worden aangemerkt als een vonnis waarbij de onteigening bij vervroeging is uitgesproken, bedraagt ingevolge art. 54l lid 1 Ow de in art. 53 lid 1 Ow Pro bedoelde termijn twee weken. Het vonnis is uitgesproken op 11 augustus 2010 zodat de cassatietermijn verstreek tweemaal twee weken na 11 augustus 2010, derhalve op 8 september 2010. De cassatiedagvaarding is op 5 oktober aan de Gemeente betekend. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld.
11. De omstandigheid dat in het dictum van het vonnis niet is vermeld dat de onteigening bij vervoeging is uitgesproken, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Ook zonder die vermelding had het [eiser] immers duidelijk kunnen en moeten zijn dat het vonnis de rechtbank een vervroegde uitspraak van de onteigening inhoudt, nu daarin de schadeloosstelling niet definitief is vastgesteld.
12. De vraag of de Gemeente door de termijnoverschrijding al dan niet in haar belangen is geschaad, is niet van belang bij de beoordeling van de vraag of de termijnoverschrijding tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep moet leiden. Het stringente karakter dat aan de onderhavige termijnen in de onteigeningsprocedure toekomt, verzet zich ertegen de handhaving van die termijnen daarvan afhankelijk te stellen of dan wel in hoeverre door de overschrijding het belang van de wederpartij is geschaad. Vgl. HR 14 juni 1989, NJ 1989, 820, en HR 19 november 1997, NJ 1998, 492.
13. De slotsom is dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in diens cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,