ECLI:NL:PHR:2011:BP4808

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00597
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt partneralimentatie en woonlastenregeling na echtscheiding

In deze zaak staat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw na hun echtscheiding centraal. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de alimentatie vastgesteld, waarna het hof de alimentatie aanzienlijk heeft verlaagd. De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, met name gericht op de beoordeling van de woonlasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning.

Het hof had geoordeeld dat de vrouw alle lasten van de woning draagt indien deze op 1 september 2009 nog niet was verkocht, conform de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. De vrouw betoogde dat het hof ten onrechte uitging van de situatie vóór 1 september 2009, terwijl het hof juist moest beoordelen op basis van de situatie ná die datum.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel baseerde op de beschikbare informatie en dat het onduidelijk was of partijen de gemaakte afspraken daadwerkelijk hadden uitgevoerd. De onbekendheid met de feitelijke situatie na 1 september 2009 is toe te rekenen aan partijen zelf, die het hof niet nader hebben geïnformeerd. Daarom faalt het middel van de vrouw en wordt het cassatieberoep verworpen.

De Hoge Raad ziet geen noodzaak tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling en wijst het beroep af met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.

Conclusie

Zaaknr. 10/00597
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 11 februari 2011
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak, waarin de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw aan de orde is, leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 25 juli 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 14 november 2007 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Vervolgens heeft de rechtbank - voor zover in cassatie nog van belang - op verzoek van de vrouw bij beschikking van 25 juli 2008 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 25 april 2008 bepaald op € 1.472,- per maand.
1.2 Het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 17 november 2009 de door de man bestreden beschikking van de rechtbank van 25 juli 2008 vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 25 april 2008 bepaald op € 308,- per maand.
1.3 Het tijdig(1) door de vrouw ingestelde cassatieberoep bevat één middel dat zich in de kern richt tegen de rechtsoverweging (te weten: rechtsoverweging 78) waarin het hof oordeelt dat het bij de beoordeling van de woonlasten die zijn verbonden aan de voormalig echtelijke woning, voorbijgaat aan de afspraak die partijen hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat als de woning op 1 september 2009 nog niet is verkocht, de vrouw alle lasten van de woning draagt.
Het middel betoogt dat de beschikking van het hof redengevende kracht mist nu het hof op 17 november 2009 recht diende te doen op de ná 1 september 2009 geldende situatie.
1.4 De klacht faalt.
Zoals het hof uitdrukkelijk overweegt, baseert het zijn oordeel op de op dat moment voor handen zijnde informatie. Het is het hof echter onduidelijk of en, zo ja, in hoeverre partijen daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan voornoemde afspraak uit de vaststellingsovereenkomst en welke gevolgen dit zal hebben voor de betaling van de rente en de al dan niet fiscale aftrekbaarheid daarvan. De onbekendheid met de feitelijke situatie van na 1 september 2009 is dus te wijten aan het feit dat partijen, onder wie de vrouw, het hof niet nader hebben geïnformeerd. Dit komt voor rekening van partijen.
1.5 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is op 16 februari 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.