ECLI:NL:PHR:2011:BP5550

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04348
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 149 lid 2 RvArt. 5 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid na verkeersongeval wegens onvoldoende bewijs groen licht

Eiseres vordert vergoeding van schade na een verkeersongeval op 29 november 2000 te Hardenberg, waarbij zij stelt dat verweerder aansprakelijk is. De rechtbank wijst de vordering af, en het hof Arnhem bevestigt dit oordeel. Eiseres komt in cassatie met drie middelen, die alle worden verworpen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de stelling van eiseres dat zij groen licht had, niet als vaststaand kan worden aangenomen. Het hof heeft de bewijswaardering zorgvuldig gedaan, onder meer door de verklaring van een getuige te betwijfelen en een bewijsopdracht aan eiseres te geven. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof geen verboden aanvulling van het verweer van verweerder heeft gemaakt door algemene ervaringsregels toe te passen.

Verder wijst de Hoge Raad klachten af over de bewijsbeslissingen van het hof, waaronder de afwijzing van aanvullend getuigenbewijs als tardief en het oordeel dat eiseres niet in haar verdediging is geschaad door het niet kunnen reageren op een latere verklaring. Ook wordt bevestigd dat eiseres niet aan haar stelplicht heeft voldaan ten aanzien van een mogelijk verwijt aan verweerder.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet leiden tot cassatie en dat het beroep verworpen wordt met toepassing van art. 81 RO Pro, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, waarbij de aansprakelijkheid van verweerder wordt afgewezen.

Conclusie

09/04348
Mr L. Strikwerda
Zt. 18 febr. 2011
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
2. [Eiseres] heeft bij exploot van 25 oktober 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [verweerder] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de gevolgen van een verkeersongeval dat [eiseres] op 29 november 2000 te Hardenberg is overkomen, en [verweerder] zal veroordelen om de schade voortvloeiend uit dit ongeval, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan [eiseres] te vergoeden. [Verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de vordering.
3. De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] bij vonnis van 8 februari 2006 afgewezen.
4. [Eiseres] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Arnhem, zittingplaats Leeuwarden.
5. Nadat het hof bij tussenarrest van 28 februari 2008 [eiseres] tot bewijs had toegelaten, heeft het hof bij eindarrest van 24 maart 2009 het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
6. [Eiseres] is tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen. [Verweerder] heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
7. De door [eiseres] voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
8. Middel I is gericht tegen het tussenarrest van het hof en behelst, als ik het goed zie, drie klachten.
9. De eerste klacht (onder 1.3) houdt in dat het hof ten onrechte niet tot uitgangspunt heeft genomen dat zowel [eiseres] als [verweerder] groen licht had.
10. De klacht faalt, omdat de vraag of een door een procespartij aangevoerde feitelijke stelling - in dit geval de stelling van [eiseres] dat (ook) het voor haar geldende verkeerslicht groen licht uitstraalde - ten processe in komen vast te staan, ter beantwoording is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel kan in cassatie niet op juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van het hof dat de bewuste stelling van [eiseres] niet als vaststaand kan worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk, nu het hof heeft vastgesteld dat [verweerder] de stelling van [eiseres] gemotiveerd heeft betwist (r.o. 6 en 7 van het tussenarrest).
11. De tweede klacht (onder 1.4) heeft een subsidiair karakter ten opzichte van de eerste klacht en strekt ten betoge dat het hof [verweerder] had dienen te belasten met het tegenbewijs dat [eiseres] géén groen licht had.
12. Deze klacht is tevergeefs voorgesteld, omdat voor tegenbewijs slechts plaats zou zijn geweest, indien het hof de stelling van [eiseres] voorshands bewezen had geoordeeld. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat dit het geval is. Het hof heeft, in tegendeel, geoordeeld dat de stelling van [eiseres] (nog) niet is komen vast te staan.
13. De derde klacht (onder 1.5), inhoudende dat het hof ten onrechte een bewijsopdracht aan [eiseres] heeft verstrekt, bouwt kennelijk voort op de eerste twee klachten en moet het lot daarvan delen.
14. Middel II keert zich tegen het eindarrest van het hof. Het middel bevat, als ik het goed zie, zeven klachten.
15. De eerste klacht (onder 2.2) bestrijdt de beoordeling door het hof van de bewijswaarde van de verklaring van de getuige [getuige].
16. De klacht faalt, omdat de bewijswaardering is overgelaten aan het hof als feitenrechter en op juistheid in cassatie niet kan worden getoets. Het oordeel van het hof dat twijfels bestaan omtrent de juistheid van hetgeen de getuige heeft verklaard ten aanzien van de werking van het voor [eiseres] bestemde verkeerslicht, is toereikend gemotiveerd (r.o. 3.2 t/m 3.4) en niet onbegrijpelijk.
17. De tweede klacht (onder 2.3) strekt kennelijk ten betoge dat het hof bij zijn bewijswaardering de verklaring van de twee verbalisanten die het proces-verbaal hebben opgemaakt, had dienen te betrekken.
18. De klacht kan geen doel treffen, reeds omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiseres] zich ter ondersteuning van haar stelling dat (ook) zij groen licht had, heeft beroepen op het bedoelde (door [verweerder] als productie 1 bij zijn conclusie van antwoord overgelegde) proces-verbaal.
19. De derde klacht (onder 2.4) verwijt het hof zich in r.o. 3.4 te hebben schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van hetgeen [verweerder] aan zijn verweer ten gronde heeft gelegd.
20. Aangenomen dat de klacht doelt op de in r.o. 3.4 door het hof in aanmerking genomen ervaringsregel, faalt zij, omdat ingevolge art. 149 lid 2 Rv Pro door de rechter aan zijn beslissing algemene ervaringsregels ten grondslag mogen worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld. Van een verboden aanvulling van hetgeen [verweerder] aan zijn verweer ten gronde heeft gelegd, is daarom geen sprake.
21. De vierde klacht (onder 2.5) is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof (ambtshalve) aanvullend getuigenverhoor dan wel een deskundigenbericht had behoren te gelasten, kan de klacht geen doel treffen. Het is aan het inzicht van het hof als feitenrechten overgelaten om daartoe te beslissen. Voor zover de klacht het hof verwijt zich met zijn bewijsbeslissing schuldig te hebben gemaakt aan een ongeoorloofde verrassingsbeslissing, is de klacht ongegrond. De enkele omstandigheid dat de bewijsbeslissing voor [eiseres] als een verrassing kwam, brengt niet mee dat sprake is van een ongeoorloofde verrassingsbeslissing.
22. De vijfde klacht (onder 2.8) richt zich kennelijk tegen het oordeel van het hof - r.o. 3.2 - dat [eiseres], hoewel zij niet op de laatste schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] (door [verweerder] overgelegd als productie 3 bij zijn antwoordmemorie na enquête) heeft kunnen reageren, daardoor niet in haar verdediging is geschaad, en betoogt dat [eiseres] daardoor wel degelijk in haar verdedigingsmogelijkheden is geschaad, zodat het oordeel van het hof onjuist is.
23. De klacht faalt, omdat het hof - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat de bedoelde verklaring van [betrokkene 1] inhoudelijk identiek is aan de reeds eerder in eerste aanleg (ter gelegenheid van de comparitie van partijen) in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 1]. Het oordeel van het hof dat [eiseres] op de inhoud van deze laatstbedoelde verklaring heeft kunnen reageren en dat [eiseres] dus niet in haar verdediging is geschaad doordat zij niet meer op de bij antwoordmemorie na enquête door [verweerder] overgelegde verklaring van [betrokkene 1] heeft kunnen reageren, is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk.
24. De zesde klacht (onder 2.12) houdt in dat het hof - in r.o. 5 - het door [eiseres] in haar memorie na enquête gedane aanbod om aanvullend getuigenbewijs te leveren, ten onrechte als tardief heeft aangemerkt. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat het aanbod voorwaardelijk is gedaan.
25. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de eerste zin van r.o. 5 heeft het hof onderkend dat het aanbod van [eiseres] in haar memorie na enquête om aanvullend getuigenverhoor te leveren, voorwaardelijk is gedaan. Voor zover de klacht wil betogen dat het aanvullende bewijsaanbod, nu het voorwaardelijk is gedaan, door het hof niet als tardief had mogen worden gepasseerd, kan het evenmin doeltreffend. Hoewel een partij in het algemeen de bevoegdheid toekomt heropening van het getuigenverhoor te verzoeken, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval deze bevoegdheid, gelet ook op het belang van een voortvarende procesvoering, haar begrenzing moet vinden in de eisen van een goede procesorde. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 13 september 1996, NJ 1996, 731). Dat het hof zijn oordeel en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging ontoereikend zou hebben gemotiveerd, wordt door de klacht niet aangevoerd.
26. De zevende klacht (onder 2.13) verwijt het hof in r.o. 6.1 en 6.2 te hebben miskend dat de algemene verkeersnorm van art. 5 WVW Pro blijft gelden, aldus dat naast het aspect van de voorrang die [verweerder] aan [eiseres] had moeten verlenen, hij in ieder geval had moeten voorkomen dat [eiseres], op een voorrangsweg rijdende en voor hem ([verweerder]) komende van rechts, in botsing kon komen met zijn bus.
27. De klacht stuit reeds hierop af dat het hof - onbestreden in cassatie - heeft geoordeeld dat [eiseres] met betrekking tot een mogelijk verwijt aan [verweerder] als door de klacht bedoeld, niet aan haar stelplicht heeft voldaan (r.o. 6.1).
28. Middel III klaagt erover dat het hof in zijn eindarrest ten onrechte is teruggekomen van een bindende, in r.o. 7 van het tussenarrest neergelegde eindbeslissing.
29. Het middel faalt, reeds omdat het berust op een verkeerde lezing van r.o. 7 van het tussenarrest. Deze rechtsoverweging bevat geen eindbeslissing, maar slechts de aankondiging van het oordeel waartoe het hof mogelijk zou kunnen komen, indien de in die rechtsoverweging bedoelde stelling van [eiseres] komt vast te staan.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,