ECLI:NL:PHR:2011:BP6043

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02952
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55b SvArt. 96b SvArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid tot onderzoek dashboardkastje auto voor identificatie verdachte

In deze zaak stond de vraag centraal of het onderzoek van het dashboardkastje van de auto van een verdachte door een opsporingsambtenaar, op grond van artikel 55b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, geoorloofd is ter vaststelling van de identiteit van de verdachte.

De verdachte was aangehouden wegens rijden onder invloed zonder rij- en identiteitsbewijs. Zijn auto werd gestald bij het politiebureau. Tijdens een onderzoek in het dashboardkastje werd een plastic zakje met vermoedelijke drugs gevonden, waarna de verdachte toestemming gaf voor fouillering, waarbij cocaïne werd aangetroffen.

De verdediging stelde dat het onderzoek van de auto onrechtmatig was en dat bewijsuitsluiting moest volgen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het dashboardkastje onder de reikwijdte van 'voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert' valt, zodat het onderzoek gerechtvaardigd was. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en oordeelt dat het onderzoek proportioneel en subsidiariteit in acht nemend is uitgevoerd, en dat het oordeel van het hof voldoende is gemotiveerd.

Het middel van cassatie faalt en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het onderzoek van het dashboardkastje van een auto door opsporingsambtenaren op grond van art. 55b lid 2 Sv rechtmatig is.

Conclusie

Nr. 09/02952
Mr. Hofstee
Zitting: 15 februari 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 8 juli 2009 wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair twaalf dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast aan verzoeker van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 795,-.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. In deze zaak gaat het om het volgende. Verzoeker is op 10 december 2007 aangehouden ter zake van rijden onder invloed van alcohol. Omdat verdachte geen rij- en identiteitsbewijs bij zich had, is zijn auto gestald aan het politiebureau. Daar heeft een verbalisant, die mede het proces-verbaal van aanhouding heeft opgesteld en ondertekend, de auto doorzocht op zoek naar een identiteitsbewijs. Deze verbalisant vond in het dashboardkastje van de auto een witte plastic zak, waarin gripzakjes zaten en een kleine digitale weegschaal met restsporen van een wit poeder. Vervolgens heeft verzoeker desgevraagd toestemming gegeven hem te fouilleren. Daarbij werd in zijn rechtervestzak 2,2 gram cocaïne aangetroffen.
4. Ten laste van verzoeker heeft het Hof bewezen verklaard dat:
"hij op 10 december 2007 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I".
5. Het middel klaagt dat het Hof bij de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer - inhoudende dat het onderzoek in de auto van verzoeker onrechtmatig was, evenals de daarop volgende fouillering, zodat de bij de fouillering gevonden verdovende middelen moeten worden uitgesloten van het bewijs- ten onrechte heeft overwogen dat art. 55b, tweede lid, Sv (ook) het kijken in een dashboardkastje van een auto legitimeert, althans dat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.
6. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen(1):
"De verdediging heeft ten verwere aangevoerd dat er geen grond was om de auto van verdachte te doorzoeken, aangezien de verdachte ambtshalve bekend was bij de politie en voorts omdat verdachte een identiteitsbewijs bij zich had en dit aan de politie heeft laten zien. Daarom was de doorzoeking van de auto onrechtmatig, zodat de verdenking van overtreding van de Opiumwet, die de grondslag was van de fouillering van verdachte, onrechtmatig is verkregen, zodat - zo begrijpt het hof het verweer - ook deze fouillering onrechtmatig was, zodat de bij die fouillering gevonden verdovende middelen moet worden uitgesloten van het bewijs. Voor het geval het hof de verdachte niet op grond van het vorenstaande vrijspreekt, heeft de verdediging verzocht de verbalisanten [verbalisant 1 en 2] te horen over de vraag of verdachte een identiteitsbewijs bij zich had.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van hetgeen is vermeld onder ii(2) kan worden aangenomen dat is onderzocht of de verdachte een identiteitsbewijs bij zich had, dat daarbij niet is gebleken dat de verdachte zo'n bewijs bij zich had en dat, omdat niet was gebleken van een identiteitsbewijs, de auto van verdachte is meegenomen naar het politiebureau. Dit maakt de bewering van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij een paspoort in zijn borstzakje had en dat hij dit heeft laten zien of heeft willen laten zien aan de politie onaannemelijk. Het hof acht het niet noodzakelijk hierover de verbalisanten als getuige te horen, omdat de enkele bewering achteraf van de verdachte niet doet twijfelen aan de juistheid van het onder ii genoemde proces-verbaal. Het pas ter terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijk verzoek de verbalisanten als getuige te horen, wordt daarom afgewezen.
De politierechter heeft overwogen dat de politie de auto mocht doorzoeken op grond van het bepaalde in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering. Het hof deelt deze opvatting niet. Artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering geeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om, in geval van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad of in geval van verdenking van (kort gezegd) een voorlopige hechtenis-misdrijf, ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken. In het onderhavige geval ging het echter niet om een doorzoeking ter inbeslagneming als bedoeld in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering, maar om een onderzoek ter vaststelling van de identiteit van de aangehouden verdachte.
Voor de stelling van de verdachte dat de politie toch wist wie hij was, geldt in de eerste plaats dat deze stelling geen steun vindt in het relaas van verbalisant [verbalisant 2], en in de tweede plaats dat de enkele omstandigheid dat een politieman een notie heeft van wie hij voor zich heeft niet met zich brengt dat - indien daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld wegens het plegen van een misdrijf - de betrokkene zich niet zou hoeven te legitimeren of de politie naar diens identiteit geen onderzoek zou mogen doen.
Artikel 55b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering geeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om 'een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.'
Hierbij kan blijkens de wetsgeschiedenis onder meer worden gedacht aan het onderzoeken van de bagage van de verdachte (zoals rugzakken en tassen) en van voorwerpen die in de kleding van de verdachte worden aangetroffen (zoals agenda's en portefeuilles).(3)
Aldus leent bagage die verdachte bij zich draagt of met zich voert, bijvoorbeeld in een handtas, in een rugzak, op zijn fiets of in de auto, zich voor onderzoek naar identificerende bescheiden. De genoemde bepaling legitimeert ook tot het kijken in een dashboardkastje van een auto, omdat dit, naar de algemene ervaring leert, een gebruikelijke plaats is om bijvoorbeeld tasjes en portefeuilles die de bestuurder of passagier bij zich heeft, in te leggen en waar derhalve voorwerpen kunnen worden aangetroffen die de bestuurder of passagier van de auto bij zich draagt of met zich voert.
Het verweer moet dus worden verworpen omdat de daaraan ten grondslag gelegde opvatting dat het onderzoek in de auto van verdachte onrechtmatig was niet juist is.
Het hof overweegt ten overvloede dat, zelfs indien het onderzoek in de auto onrechtmatig was geweest, de fouillering van verdachte daarmee niet onrechtmatig is. Het hof stelt vast dat verdachte blijkens zijn verklaring onder vii(4) toestemming voor de fouillering heeft verleend. Een eventuele vormfout ten aanzien van de doorzoeking van het vervoermiddel van verdachte kan dan ook niet leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de fouillering van verdachte, nu er geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de resultaten van de doorzoeking en de fouillering van verdachte."
7. Artikel 55b, tweede lid, Sv luidt als volgt:
"De ambtenaren bedoeld in het eerste lid(5) zijn voorts(6) bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit."
Over deze bevoegdheid valt in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag bij het ontwerp van Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering (Anonieme verdachte) nog te lezen(7):
Het (toen nog, EH) voorgestelde art. 61C Sv verschaft iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid om de verdachte na staandehouding of aanhouding, voor zover zulks ten minste voor de vaststelling van diens identiteit noodzakelijk is, aan zijn kleding te onderzoeken. Dit dwangmiddel acht ik aanvaardbaar als algemeen dwangmiddel met het oog op de identificatie van anonieme verdachten, ongeacht de ernst van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht. De voorwaarde dat het onderzoek aan de kleding alleen mag plaats vinden waarborgt voorts dat dit onderzoek in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel, te weten de identificatie van een verdachte van een strafbaar feit. Het noodzakelijkheidsvereiste brengt mede dat aan een verdachte na staandehouding of aanhouding allereerst zal worden gevraagd zijn identiteitsgegevens op te geven en zulks met bewijstukken te staven. Pas ingeval van een weigering van de verdachte om hieraan gevolg te geven of indien de opsporingsambtenaar twijfelt aan de juistheid van de verschafte gegevens, zal behoefte ontstaan om de verdachte ter identificatie aan zijn kleding te onderzoeken. Het noodzakelijkheidsvereiste brengt voorts mede dat de opsporingsambtenaar alvorens daartoe over te gaan aan de verdachte zal moeten vragen of hij bereid is vrijwillig eventuele voorwerpen of bescheiden waaruit zijn identiteit zou kunnen blijken, zoals bijv. een portefeuille, ter inzage te geven. De opsporingsambtenaar zal naar mijn oordeel dit dwangmiddel op een zodanige wijze moeten toepassen dat op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zo min mogelijk inbreuk wordt gemaakt (cursivering van mij, EH). Zo zal de opsporingsambtenaar een onderzoek aan de kleding ter identificatie in het openbaar zoveel mogelijk dienen te vermijden. Hij zal evenwel steeds het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moeten afwegen tegen het belang van de voorkoming van het wegmaken door de anonieme verdachte van voorwerpen waaruit zijn identiteit zou kunnen blijken.
8. Mogelijk kan de stelling worden betrokken dat het middel reeds niet zal slagen op grond van hetgeen het Hof in de door hem als ten overvloede aangeduide overweging heeft vastgesteld: verzoeker heeft blijkens zijn eigen verklaring toestemming voor de fouillering gegeven en er was naar het feitelijk oordeel van het Hof geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de resultaten van de doorzoeking(8) in de auto en de fouillering van verzoeker.(9) Dat zou betekenen dat hier onbesproken kan blijven de interessante rechtsvraag of de verbalisant al dan niet bevoegd was om op de voet van art. 55b, tweede lid, Sv in het dashboardkastje van verzoekers auto te kijken.
9. Omdat evenwel het middel zich niet richt tegen die overweging ten overvloede, maar zich keert tegen de daaraan voorafgaande 'eigenlijke' overwegingen van het Hof, zal ik het middel bespreken. Dat geeft mij tevens de gelegenheid nader in te gaan op de voorliggende rechtsvraag of in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak de verbalisant aan het bepaalde in art. 55, tweede lid, Sv de bevoegdheid kon ontlenen om het dashboardkastje van verzoekers auto te openen op zoek naar een identiteitsbewijs. Goed beschouwd gaat daaraan nog déze vraag vooraf: kan, binnen de hier gegeven omstandigheden, onder de reikwijdte van 'voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich meevoert' óók het dashboardkastje van een auto worden begrepen.
10. Vooropgesteld dient te worden dat de wetsgeschiedenis van art. 55b Sv niet dwingt tot een restrictieve uitleg van het begrip 'voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich meevoert'.(10) Het gaat om alle voorwerpen, die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert. Zo mag in dit verband worden gezocht in bijvoorbeeld een (hand)tas, een koffer, een rugzak en ook in de persoonlijke bagage in de auto.(11) Hier dringt zich een vergelijking op met de 'Wet wapens en munitie'. Het dragen van een wapen is niet letterlijk bedoeld. Daaronder valt ook het bezitten en het binnen het (onmiddellijk) bereik hebben van een wapen, bijvoorbeeld als de bestuurder van een auto een wapen onverpakt in zijn kaartenvak(12) of dashboardkastje(13) heeft liggen.
11. Uit de parlementaire stukken blijkt verder dat het onderzoek als bedoeld in art. 55, tweede lid, Sv (uiteraard) behoedzaam moet worden uitgevoerd en op een zodanige wijze dient plaats te vinden dat op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zo min mogelijk inbreuk wordt gemaakt.(14) Maar dat neemt niet weg dat het onderzoek ook bijzonder grondig mag zijn.(15) Zo mag bij de verdachte de voering van de jas worden losgehaald en de zomen van de kleding worden losgetornd. Dergelijke handelingen gaan aanmerkelijk verder dan het onderzoeken van het dashboardkastje van een auto. Of om het anders te zeggen: het onderzoeken van het dashboardkastje maakt hier, lijkt mij, minder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dan het lostornen van zomen van de kleding die hij aan heeft. Uit een oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit meen ik dat het onderzoeken van het dashboardkastje van verzoekers auto dan ook was toegelaten, temeer nu geen rechtsregel zich tegen een dergelijk onderzoek verzet.
12. De voorgaande beschouwingen brengen mij dan ook tot de volgende conclusies. Het oordeel van het Hof dat een dashboardkastje van een auto een niet ongebruikelijke plek is om (kleine) voorwerpen in te bergen, zoals handschoenen(16), tasjes en portefeuilles die de bestuurder of de passagier bij zich draagt of met zich mee voert, is niet onbegrijpelijk. Het hieruit voortvloeiende oordeel van het Hof dat art. 55b, tweede lid, Sv ook tot het zoeken in een dashboardkastje van een auto legitimeert(17), nu zich daarin voorwerpen - zoals identificerende bescheiden - kunnen bevinden die de verdachte bij zich draagt of met zich meevoert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor het daarin besloten liggende oordeel van het Hof dat de verbalisant ten behoeve van het onderzoek bevoegd was het dashboardkastje van verzoekers auto te openen op zoek naar een identiteitsbewijs.
13. Het Hof heeft zijn verwerping van het in het middel bedoelde verweer voldoende met redenen omkleed.
14. Het middel faalt mitsdien.
15. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het arrest van het Hof is (met LJNnr BJ4723) al vermeld in het 'Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar' om aan te geven dat op grond van art. 55, tweede lid, Sv ook het dashboardkastje van de auto onderzocht mag worden.
2 Onder ii heeft het Hof in zijn arrest het volgende vastgesteld: "Uit hetzelfde proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de auto van de verdachte toen is gestald aan het politiebureau, omdat de verdachte geen rij- en identiteitsbewijs bij zich had".
3 (voetnoot 10 van het Hof) Kamerstukken Tweede Kamer, 1991-1992, 19 757, nr. 17 (vijfde nota van wijziging met toelichting) blz. 2.
4 Onder vii heeft het Hof in zijn arrest vastgesteld dat verdachte blijkens het proces-verbaal van verhoor, aangehaald in voetnoot 9 van het arrest, onder meer heeft verklaard: "Ik moest blazen, toen ben ik aangehouden en moest ik meekomen om op het bureau een blaastest af te nemen. Toen ik een blaastest had afgenomen, mocht ik niet meer rijden. Toen is mijn auto gecontroleerd (...). Toen kwamen ze mij vertellen dat ze een witte plastic tas in mijn dashboardkastje hadden gevonden. Toen hebben ze mij gevraagd om me te fouilleren. Ik heb hiervoor toestemming gegeven. Toen vonden ze in mijn groene vest/jas een zakje met 1,5 à 2 gram cocaïne'".
5 De bij of krachtens artikel 141 Sv Pro aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten.
6 Naast het vragen naar het burgerservicenummer van de verdachte.
7 Kamerstukken II 1990/91, 19 757, nr. 14, p. 5-6.
8 Dat het Hof hier van doorzoeking spreekt, laat ik verder daar.
9 Vgl. HR 6 september 2005, LJN AT3993, NJ 2006, 447 m.nt. Reijntjes en HR 17 januari 2006, AU3948, NJ 2006, 495 m.nt. Mevis.
10 Zie ook J. Naeyé, 'Wetsvoorstel anonieme verdachte', DD 1993, p. 307-335. Daarin schrijft hij dat de identiteitsfouillering ruim is opgezet (p. 324).
11 Melai/Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 7 bij art. 55b (bewerkt door mr. M.E. de Meijer, bij t/m 01-09-2005), T&C Strafvordering, 8e druk, 2009, aant. 3 bij art. 55b (bewerkt door prof. mr. E.F. Stamhuis) en Naeyé, t.a.p., p. 324-325. Zie voorts Kamerstukken II 1991/92, 19 757, nr. 17 (Vijfde Nota van Wijziging met toelichting), p. 2.
12 HR 30 september 1997, LJN ZD0810, NJ 1998, 105 en Kamerstukken II 1976/77, 14 413, nr. 3 (MvT), p. 23.
13 Rb. Groningen 29 maart 2010, nr. 18/630619-09.
14 Zie naast de hierboven onder 7 aangehaalde Nota ook het Verslag van een wetgevingsoverleg van de Vaste commissie van Justitie (Kamerstukken II 2000/01, 26 983, nr. 11, p. 13).
15 Melai/Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 7 bij art. 55b (bewerkt door mr. M.E. de Meijer, bij t/m 01-09-2005); zie ook T&C Strafvordering, 8e druk, 2009, aant. 3 bij art. 55b (bewerkt door prof. mr. E.F. Stamhuis).
16 'Handschoenenkastje' is een synoniem van dashboardkastje (zie de 'Van Dale').
17 Vgl. Rb 's-Gravenhage 4 november 2010, LJN BO2992: art. 55b, tweede lid, Sv wettigt het (laten) openen van een kofferruimte van een auto.