ECLI:NL:PHR:2011:BP6052
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Hoge Raad tot beoordeling schriftuur benadeelde partij bij niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Namens de verdachte is echter geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor de verdachte niet in zijn beroep kan worden ontvangen. De benadeelde partij heeft wel schriftuur ingediend met een middel van cassatie.
De kernvraag is of de Hoge Raad bevoegd is om de schriftuur van de benadeelde partij te beoordelen indien de verdachte niet-ontvankelijk is in cassatie. Artikel 421, vierde lid, Sv voorziet in een regeling voor hoger beroep door de benadeelde partij tegen afwijzing van haar vordering indien noch verdachte noch het Openbaar Ministerie hoger beroep instellen, maar de wet bevat geen regeling voor cassatieberoep door de benadeelde partij in het geval dat verdachte of OM niet-ontvankelijk zijn.
De Hoge Raad concludeert dat uit de wet volgt dat de wetgever niet heeft voorzien in een dergelijke bevoegdheid voor de Hoge Raad. Dit betekent dat de schriftuur van de benadeelde partij in deze situatie onbesproken moet blijven. De verdachte wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep en de schriftuur van de benadeelde partij wordt niet inhoudelijk behandeld.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep; schriftuur van benadeelde partij blijft onbesproken.